Uit het dagboek van Harmen Schouwerwou
19-8-1979
Twee levens leef ik, twee 'ikken' wonen in mij. Een ik dat zich wil overgeven aan emoties en het denken, aan het volgen van impulsen en het opdoen van ervaringen en een ander ik dat zich verantwoordelijk voelt voor het geheel en een hogere vorm van liefde ervaart.
Doorlopend is er die strijd, doorlopend moet er uitgeprobeerd worden, steeds weer die gespletenheid.
En toch ... een gevoel van zekerheid blijft steeds aanwezig, een gevoel dat alles terechtkomt, ondanks mijzelf. Een onverwoestbaar vertrouwen is in mij ondanks mijn extremiteiten, mijn heen en weer slingeren tussen uitersten. Dat vertrouwen is blijkbaar niet te vernietigen. Bang voor het lijden of bang voor de dood ben ik niet meer. Soms is dat wel vervelend en lastig, omdat je ergens weet dat je met bepaalde dingen niet klakkeloos kunt spotten. Maar ja, het heeft ook zijn positieve kanten, want angst is dé grote belemmering. Ik sta niet helemaal in dit leven, ergens hoor ik er niet meer bij, ergens zweef ik in de wolken ver boven de aarde en weet dat ik een 'hogere' bestemming heb. En dan val ik weer terug op deze aarde, moet de consequenties aanvaarden en dan zweef ik weer de ruimte in.
Wie ben ik zwerver? Wat moet ik hier op aarde nog verrichten, wat moet ik nog ondergaan? Waarheen en waartoe?
27-12-1980
Vandaag eindig ik weer eens bij mijn 'hart' en dat is goed, zelfs al weet ik dat dit onvoldoende is. Vaak, te vaak hebben mijn angsten mij weerhouden te doen wat ik had te doen. Vaak heb ik gehuiverd voor de afgronden, want ik wist hoe diep een val kon zijn. Vaak heb ik gehuild om het weten dat er 'zuiverheid' is, maar voor mij onbereikbaar. Vaak heb ik gesmeekt de liefde te mogen ervaren, de ware liefde tussen man en vrouw in al haar schoonheid. Vaak heb ik intens verlangd naar 'waarheid', want ik zag alleen maar bedrog. En toch ... ik heb niet gefaald, nog steeds ben ik onschuldig als een kind, blij als een kind, handel als een kind, geloof als een kind, ben open als een kind. En toch ... huiver ik voor de afgrond, de diepe val, het opgeven van mijn 'zelf', en toch ... geloof ik het 'geloof van de onschuldige' en toch ... doe ik wat ik doe.
Waar zijn de 'molenstenen' gebleven, waar is de angst voor het eindeloze? Waar is de afgrond als er 'gesprongen' wordt, waar is het einde als er alleen maar een voortdurend begin is? Waar, o waar is het vraagteken dat 'leven' heet te zijn?
Angsten verdwijnen als er werkelijk gesprongen wordt, want de 'sprong' is het antwoord zelf. Waarom dan nog angst om te springen?
Het springen is als een dans: wiskundige figuren in het Kosmisch Gebeuren, een cirkelende beweging in het Nu. Liefde is het 'zwarte gat' van het niet-zijn, liefde is in het doen van het liefdeloze, liefde is in de ontkenning tevens, want Liefde is in alles!
Waarom dan kiezen als Alles Al Is en niet meer hoeft te worden? Waarom twijfelen aan datgene wat gedaan moet worden: het lichte of het donkere deel, het zijn toch alleen maar delen van Eén Geheel? Het is toch allemaal Eén Totaliteit, de Volmaakte Cirkel, de Eindeloze Toekomst, het Eeuwige Nu!
Waarom dan getreurd mijn vrienden, waarom dan angst? Waarom?
Omdat wij gebonden zijn aan Wetten, kosmische wetten, natuurwetten. Maar dat is het juist, wij kunnen deze wetten overstijgen door onze in-eigen-wet te volgen. Wanneer wij alleen maar het wettische accepteren, accepteren wij in feite alleen maar onze beperktheid, terwijl Onbeperktheid onze toekomst is.
Een blik, een verwijt in de Witte Zuiverheid. Wat telt: het onbestemde verlangen of het verlangen naar onbestemdheid?
En nu is er Zon en de zon schijnt over een wit landschap.