De schrijver van dit artikel, Henk TRentelman, is op 19 augustus 2010 overleden. Het condoleanceregister is via zijn site te tekenen.(www.voorennadediagnose.nl)
Chemotherapie
of wie geneest heeft gelijk ( Netwerk woensdag Ned 2 20:15 )
Graag vang
ik aan met de opmerking dat ik oprecht hoop bij een dergelijk controversieel
onderwerp over de wijsheid te mogen beschikken de juiste toon te treffen,
aangezien het geenszins mijn doel is olie op het vuur te gooien, doch om begrip
te kweken voor de noodzaak, dat zo spoedig mogelijk een wezenlijk andere weg
wordt ingeslagen bij de behandeling van kanker. Ik zal u dan ook vanuit de
mijzelf opgelegde beperkingen niet lastig vallen met de werkelijke cijfers ter
zake van vermeende resultaten bereikt met behandeling door chemotherapie.
Aangezien ik
mij reeds een tiental jaren intensief en belangeloos bezig houd met de
begeleiding van voor het merendeel terminale kankerpatiënten, kan mij de uit de
eerste hand verkregen informatie op dit specifieke terrein moeilijk worden
ontzegd; er is sprake van een onzegbaar leed! Toch meen ik, onder behoud van het
bovenstaande, een korte inleiding nodig te hebben voor de juiste beeldvorming
van de onderhavige problematiek en wat is in dit geval meer onverdacht dan de
verwijzing naar de schokkende cijfers, ontleend aan een uniek onderzoek van een
team onder leiding van professor kinderoncologie Huib Caron van het Emma
Kinderziekenhuis AMC.
De
desbetreffende onderzoekers zijn in 1996 begonnen om alle kinderen op te sporen
die voor enige vorm van kanker behandeld zijn in het Emma Kinderziekenhuis in de
periode 1966 tot 1996; gedurende een tijdsverloop van dertig jaar derhalve. Van
alle overlevenden (!) heeft 95%, zijnde 1.362 patiënten, meegedaan aan een zeer
uitvoerig gezondheidsonderzoek; de gemiddelde leeftijd van deze groep
overlevenden is nu 24 jaar. Ten behoeve van dit onderzoek werd door het AMC in
1996 de Polikliniek Late Effecten Kindertumoren (de zgn. PLEK-poli) opgezet om
deze 1.362 ex-patiënten, opgespoord via de toenmalige huisartsen en de
burgerlijke stand, te onderzoeken. De resultaten van het onderzoek van prof.
Caron en zijn collega’s werden gepubliceerd in het jaarlijkse themanummer van
het prestigieuze Amerikaanse medische tijdschrift JAMA (Journal of the American
Medical Association), dat in september 2007 verschenen is. Het kan dan ook niet
aan de aandacht van de medisch specialisten in Nederland ontgaan zijn!
Met het doel
de strekking van het komende betoog kracht bij te zetten - en niets meer dan dat
- ontleen ik enkele cijfers aan dat onderzoek en begin ik met een citaat. Huib
Caron stelt, dat zijn collega’s en hij geschokt waren door hun eigen
onderzoeksresultaten; ik citeer in dat verband: “Als kinderarts wil je
kinderen genezen. Nu ruilen we één ernstig probleem in voor soms wel drie
andere. Je kunt maar één conclusie trekken: we doen het als dokters niet goed
genoeg.” Een uitspraak, die naar mijn opvatting getuigt van grote en ongekende
openhartigheid en een zeer hoog ethisch normbesef, voor welke ik het grootst
mogelijke respect heb. Ik geef u enkele cijfers om zijn conclusie te onderbouwen
en in het juiste licht te plaatsen.
De ernstige
of levensbedreigende ziekten waaraan 40 procent van de overlevenden aan
kinderkanker lijdt zijn een rechtstreeks gevolg van de behandelingen die ze
hebben gehad.
Caron:
“Het soort aandoeningen waar het om gaat komt bij 24-jarigen eigenlijk niet
voor.” Van de voormalige kinderkankerpatiënten krijgt 75 procent (!) één of
meer problemen met de gezondheid als gevolg van de behandeling; 25 procent zelfs
vijf of méér tegelijk! Caron pleit er dan ook voor om iedereen die een vorm
van kinderkanker heeft overleefd, levenslang onder controle te houden voor
nazorg. Daardoor kan vroegtijdig ingegrepen worden als zich nieuwe ziekten
voordoen en kan ernstige gezondheidsschade beperkt of voorkomen worden. Het is
dan ook vanuit deze benadering dat alle kinderen die ná 1996 voor kanker
behandeld zijn, onder controle blijven van de hiervoor genoemde PLEK-poli.
Intussen
hebben alle zeven kinderoncologische centra in Nederland een dergelijke poli en
deze centra hebben hun werkwijze onderling op elkaar afgestemd en afgesproken
wat de beste manieren zijn om late gevolgen van behandelingen vroegtijdig op te
sporen. Tevens hebben ze vastgesteld voor welke late gevolgen van behandeling
die vroege opsporing zinvol is; vermeldenswaard in dat verband zijn onder meer
psychische problemen en secundaire kankers. Met name die secundaire kankers
zullen hierna mede onderwerp zijn van mijn pleidooi. De samenwerkende oncologen
leggen op dit moment de laatste hand aan een lijst met tientallen late gevolgen
van kindertumoren waarvan vroege opsporing belangrijk is.
Tot slot van
mijn inleidende opmerkingen zij dan nog opgemerkt, dat het onderzoek van het
AMC-team zijn weerga in de medische wereld niet kent. Er is nog nooit een
onderzoek gedaan naar alle gezondheidsgevolgen van de medische behandelingen die
kinderen met kanker hebben gehad. Tot dusverre beperkte dat onderzoek zich
altijd tot slechts één vraag, bijvoorbeeld of de darmkanker waarvoor een kind
genezen was, op latere leeftijd terugkeerde. Wellicht geeft dit ook u enige
inzage in de betrouwbaarheid van de ons verstrekte informatie met betrekking tot
de statistieken in relatie tot chemotherapie voor zover het de genezingsclaim
aangaat!
We dienen
ons in het licht van bovenstaande te realiseren, dat de medisch specialist bij
de behandeling van kanker slechts zeer beperkte mogelijkheden tot zijn
beschikking heeft. Chemotherapie put de cellen van het merg en het bloed
drastisch uit; chemotherapie vergiftigt de lever op onomkeerbare wijze, zodat
deze belemmerd wordt om nieuwe verdedigingselementen aan te maken; chemotherapie
vernietigt meedogenloos de zenuwcellen, waardoor het reactievermogen van het
aangetaste orgaan verzwakt en wordt overgeleverd aan de genade van de indringer.
Bestraling kan bij enkele tumoren een zeer goed en snel wapen zijn, te weten bij
afgebakende locaties op het bot - maar dan met simultane toediening van
geneesmiddelen ter bescherming van het botweefsel - en bij lymfklieren.
Operaties
zijn in bepaalde gevallen en op beperkte wijze uiterst nuttig; als voorbeelden
mogen daarbij gelden neoplasmata in de darmen en alle testikeltumoren. Om aan
deze beperkingen en de geschetste nadelen tegemoet te komen is het een goed
uitgangspunt om vast te stellen, dat de genetica in de loop van de
achterliggende decennia een te sterk accent heeft gekregen en dat het nu de
hoogste tijd wordt om in ons denken plaats te maken voor het inzicht dat
degeneratieve ziekten niet expliciet behoren te worden toegeschreven aan
genetische en omgevingsfactoren, doch dat tevens infecties daar een
gerechtvaardigde plaats hebben. In dat geval wordt het antwoord op de vraag naar
wat een ziekte veroorzaakt, gevonden in het vakgebied van de microbiologie en
zullen we het accent moet verleggen naar het onderzoek op het terrein van
virussen, subvirussen en schimmels.
Er blijkt
een grote samenhang te zijn tussen micro-organismen en degeneratieve ziekten;
met name de mycologie (de leer over het rijk der schimmels) zou wel eens de
juiste antwoorden kunnen verschaffen op het fenomeen van de tumoren. Meer
expliciet gesteld: ik hoop uw aandacht te kunnen vasthouden voor de geldigheid
van de redenering dat een schimmelinfectie - vooral door candida - de verklaring
kan zijn voor het ontstaan van een tumor; sterker nog, dat - evenals in de
plantenwereld - alle soorten kanker voortkomen uit een schimmel. Vanuit het
adagium ‘Wie geneest, heeft gelijk’ zal ik naast de argumentatie voor deze
benadering tevens enkele concrete behandelingsgevallen vanuit deze visie onder
uw aandacht brengen.
De hierna
volgende beschouwingen zijn ontwikkeld door dr. Simoncini; hij is naast
oncoloog, tevens chirurg, endocrinoloog, diabetoloog, doctor in natuurkunde en
filosofie en twintig jaar hoofd afdeling oncologie geweest in een ziekenhuis in
Rome. Zijn ervaring heeft aangetoond, dat natriumbicarbonaat (vanaf nu kortweg
‘bica’) de enige bekende stof is, die algemeen effectief is tegen
neoplasmata; de autonome groei van cellen of weefsels tot goed- of kwaadaardige
gezwellen. De bewijsvoering daarvoor werd verkregen via jarenlange ervaring met
parenterale toediening, zijnde langs een ándere weg dan via het darmkanaal, dus
intraveneus (via een ader), via arteriële port-a-cath (via een geëigende
slagader) dan wel via holtes rechtstreeks in het weefsel.
De theorie -
en nu komen we op een uiterst discutabel terrein - waarbij vraagtekens moet
worden geplaatst, behelst de opvatting dat een tumor wordt bepaald door een
reproductieve celafwijking. Ipso facto zijn dan ook de daarvan afgeleide theorieën
niet langer houdbaar, te weten:
Voor de
genetische theorie van kanker gelden twee basisstellingen die de spil vormen van
dat denksysteem en van de oncologische bespiegelende wijsbegeerte:
De oorzaak
van deze gesuggereerde ongecontroleerde vermeerdering ligt - volgens de huidige
opvattingen - in een falen van enkele delen van het DNA; in het bijzonder van
die, welke bestemd zijn voor de productie van de moleculen, die nodig zijn voor
de celvermeerdering. Tot dusverre heeft echter niemand ooit het verband
aangetoond tussen overproductie van cellen en carcinogeniteit, tussen mutagenese
en kwaadaardige transformatie, tussen overproductieve effecten van cellen die in
vitro worden vastgesteld en tumoren, die aanwezig zijn in patiënten van vlees
en bloed. Kanker en genetica blijken echter niets met elkaar te maken te hebben;
de relatie die er echter wél ligt is de kwetsbaarheid van een specifiek orgaan
en genetica. Dit lijkt een woordenstrijd, doch schort uw oordeel nog even op.
Een
mogelijke indeling van ziekten is de volgende:
Om de
gezondheidstoestand in een concrete situatie te verbeteren, om op het gebied van
research resultaten te boeken en om de huidige ziekte-entiteiten te bestrijden,
dient men tegelijkertijd op zowel holistisch als op allopatisch vlak op te
treden, met behulp van de wapens van een verstandig levensevenwicht en een
verdediging tegen externe aanvallen. Alleen wanneer menselijkheid, klinische
geneeskunde en proefnemingen met elkaar verenigd blijven, kan de ondubbelzinnige
interpretatiedynamiek verworven worden, die nodig is om de complexe causale
stappen van ziekten te onthullen, waarachter de verschijnselen liggen die nu met
de huidige statische onderzoeksmethoden ongrijpbaar zijn.
Een
wezenlijk fundament in dat onderzoek dient, zoals hiervoor reeds gememoreerd, de
microbiologie te zijn. Immers, het moge duidelijk zijn dat bij het fenomeen
kanker de hypothese dat de oorzaak daarvoor autogeen is (lees: ‘vanzelf
plaatsvindend’) op zijn minst als uiterst speculatief gekenschetst dient te
worden! Immers, waarom zou een
fysiologisch functionerend mechanisme opeens, uit het niets, een
zelfvernietigend proces gaan aanvangen in ongeacht welk anatomisch deel van het
lichaam? En waarom tast kanker nooit
de spieren aan? Waarom nestelt het
zich veelvuldig in reeds bestaande pathologische omstandigheden, zoals een reeds
actuele maagzweer, een cirrose, een polypose, etc.?
Waarom leidt kanker zelden tot
zeer hoge koorts (buiten de terminale fasen)? En, minstens zo verbazingwekkend
en tot nadenken stemmend: Waarom wekt
het bij de behandelend specialist - die toch uitgaat van de gangbare
oncologische visie dat het proces van binnen uit en autogeen ontstaan was - geen
grote verbazing, dat tijdens zo’n proces van zelfvernietiging in de zeldzame
gevallen van spontane genezing dit proces zich even plotseling in omgekeerde
richting kan voltrekken? Het is dan ook veel logischer, en dat beeld zullen we
trachten aan u over te dragen, dat een tumor een ziekte is, die (a) wordt
bepaald door een externe aanval, die (b) wordt gestimuleerd door bepaalde
organische omstandigheden (we komen daarop terug), die (c) zich in de eerste
plaats voornamelijk locaal ontwikkelt, maar (d) vervolgens het organisme in zijn
totaliteit kan aantasten tot aan uittering daarvan.
Welnu, een
externe aanval (sub a) kan bij levende structuren afkomstig zijn van andere
levende structuren, hetgeen een infectie impliceert, waarvoor derhalve
uitsluitend een verklaring gevonden kan worden bij de microbiologie, zijnde het
terrein van bacteriën, virussen en schimmels. Binnen deze mogelijkheden is een
schimmel de meest logische, en wel een variant die in bepaalde mate
ziekteveroorzakend (pathogeen) is gebleken voor de mens, te weten candida. Let
wel: de schimmel is niet als enige in staat om de incubatie, de verspreiding,
het verloop en de symptomatologie van kanker te verklaren. Ook enkele klinische
aspecten spelen hier een rol. Bij een bacteriële infectie is er meestal sprake
van een hoge mate van uitputting en regressie in korte tijd en deze gaat gepaard
met hoge koorts; het openbaart zich en vindt plaats in een bepaald orgaan en
binnen een precies tijdsbestek. De ziekteverschijnselen van bacteriële
oorsprong, met een duidelijke neiging om chronisch te worden, behoren tot dat
soort kiemen, die een hoog gehalte aan vetzuren in hun structuur hebben.
Een virale
infectie wordt gekenmerkt door een zodanige snelheid met een daaruit
voortvloeiende koorts, dat deze soms in een flits plaatsvindt vanwege de zeer
kleine afmetingen die een directe verspreiding mogelijk maken. We haken in dit
verband even in op een zeer recente analyse, vermeld in het toonaangevende blad
The Lancet, waarbij via verschillende onderzoeken werd aangetoond dat
hiv-positieve mensen op de lange duur een hogere kans hebben op een aantal
soorten kanker; hetzelfde geldt voor transplantatiepatiënten. Bij mensen met
hiv werd een verhoogd risico gevonden voor die typen kanker, die met name
veroorzaakt worden door virussen en bacteriën.
Enkele
voorbeelden: baarmoederhalskanker en anale kanker, Hodgkin lymfoma en
non-hodgkin lymfoma, leverkanker (hepatitis C) en maagkanker (Helicobacter
pylori). Tekenend hierbij is de kop in het NRC: ‘Uitzaaiing van kanker begint
vaak met een ontstekingsreactie’.
Alvorens
verder te gaan zullen we, voor een beter begrip van onze redenering, dus eerst
wat aandacht dienen te besteden aan het fenomeen schimmel. Schimmels voeden zich
door directe absorptie van oplosbare organische verbindingen; ze kunnen zowel
eencellige als meercellig zijn en ze hebben een duidelijke kern. In relatie tot
kanker is het essentieel te weten, dat ze over een uiterst markante eigenschap
beschikken, te weten dat ze een microscopische basisstructuur hebben (hyfe), máár
tegelijkertijd enorme afmetingen kunnen krijgen (kilo’s), waarbij (let wel)
het vermogen tot aanpassing en reproductie ongewijzigd blijft, ongeacht de reeds
bereikte grootte! Het zijn dus géén ‘organismen’, doch cellulaire
samengroeisels, die zich gedragen als
een organisme, omdat elke cel onverminderd het vermogen tot overleving en
reproductie behoudt, ongeacht de structuur waarin deze zich bevindt. Schimmels
zijn afhankelijk van andere levende wezens (organen) door zich te voeden met
organisch afval (de nog gelukkige situatie, waarover straks meer) of door het
weefsel van de gastheer rechtstreeks aan te tasten.
De
reproductiecyclus vindt plaats door middel van eencellige of meercellige sporen,
onzichtbaar voor het huidige geneeskundige instrumentarium. De aandachtige lezer
ziet hier wellicht de verklaring voor de door de chirurg/laborant geachte
‘schone snijvlakken’, terwijl achteraf toch blijkt - zoals bij mijn broertje
en zusje het geval was - dat uitzaaiing reeds had plaatsgevonden. Het
polymorfisme van de schimmel geeft een dusdanige biologische flexibiliteit, dat
dit een onbeperkt aanpassingsvermogen geeft in het lichaam van de patiënt en
daarmee een onbeperkte pathogene (ziekteveroorzakende) potentie. Ze kunnen
vanuit de basisopbouw gespecialiseerde structuren ontwikkelen in de vorm van een
‘snavel’ waarmee het bindweefsel kan worden binnengedrongen. De door de
schimmel geproduceerde sporen zijn zeer goed bestand tegen externe aanvallen -
denk hierbij aan bv. chemo - en kunnen, indien de omgevingscondities er naar
zijn, jarenlang slapend blijven en daarbij onverminderd hun regeneratieve
vermogen behouden.
Voor een
goed begrip in relatie tot kanker nog het volgende: schimmels zijn in staat om
wijzigingen in hun eigen metabolisme aan te brengen, teneinde de
weerstandmechanismen van de gastheer, in casu het immuunsysteem van de patiënt
en het bedreigde orgaan, te overwinnen. In bepaalde gevallen is het aanvallend
vermogen van schimmels dermate groot, dat een ring, bestaande uit slechts drie
schimmelcellen, een prooi, ondanks wanhopige pogingen tot verweer, in korte tijd
kan omvatten, opsluiten, doden en consumeren.
Schimmels
bij de mens
In wezen
zijn schimmels een wezenlijk onderdeel van de voorzienigheid van de kosmos. Ze
vormen de opruimdienst in de gehele natuur en dragen er zorg voor, dat alle
zieke en dode organismen (denk aan bomen, appels etc.) keurig worden
‘weggegeten’ en dat ruimte wordt behouden voor nieuw leven. De voor mensen
ziekteverwekkende schimmels zijn klein in aantal. Ze veroorzaken ziekten, die
mycosen worden genoemd en die kunnen worden onderverdeeld in oppervlakkige
mycosen (huid, beharing en nagels) en diepe mycosen (longen, darmen, hersenen,
botten e.d.).
De
classificatie geschiedt in tien groepen, waarvan er slechts één in aanmerking
komt als verantwoordelijk voor kanker, te weten candida. Candida komt - in
kleine hoeveelheden - bij ons allemaal voor, te weten in de mond, in de vagina,
in de darmen en op de huid. Waar candida echter beslist niet mag voorkomen is in
onze bloedbaan, want daar ligt de basis voor de problematiek. Een belangrijke
vraag, ter voorkoming daarvan, is derhalve hoe candida in ons bloed terecht kan
komen? Het antwoord op die vraag kan wellicht mede verklaren waarom kanker
steeds vaker bij ons blijkt voor te komen. Onze darmflora - als essentiële
darmbacteriën noem ik onder meer acidophilus, bulgaricus en bifidum - is niet
bestand tegen antibiotica. Veel artsen verzuimen helaas om bij het voorschrijven
van antibiotica pro-biotica te adviseren tijdens en na de kuur. Het resultaat
van dit verzuim is tweeërlei:
Naast
antibiotica zijn er nog andere oorzaken voor het optreden van die dominante
positie in onze spijsvertering, te weten langdurige stress, verkeerde
eetgewoonten, hormonale onbalans en het gebruik van de pil. Een signaal voor de
afwezigheid van darmflora vormt de eigenschap van onze ontlasting en de
frequentie daarvan. Met “eigenschap” doel ik op een al dan niet
onwelriekende geur. Ontlasting dient – bepaalde ingenomen voedingsstoffen
daargelaten – in principe reukloos te zijn. Verder dient deze ontlasting zich
dagelijks (idealiter tweemaal daags) op een vrijwel constant tijdstip aan te
kondigen.
Tot dusverre
nog geen problemen in relatie tot ons onderwerp kanker, zolang candida zich maar
binnen het maag-darmkanaal bevindt. Echter, op den duur kan candida penetreren
door het darmslijmvlies, veroorzaakt daarbij een grotere doorlaatbaarheid van de
darmwand, en maakt haar entree naar onze bloedbaan. Ook nu vooralsnog geen
probleem, zolang candida zich tevreden kan stellen met organische afvalstoffen!
U begrijpt waar ons betoog in uitmondt: zodra ergens in ons lichaam een orgaan
door externe omstandigheden kwetsbaar wordt (of als gevolg van genetische
oorzaken kwetsbaar is en door externe oorzaken wordt belaagd) beperkt de candida
zich niet meer tot het opruimen van afvalstoffen.
Alhoewel de
hoofdfunctie van het bindweefsel van de organen ligt in de voorziening van de
orgaancellen met voedingsstoffen, vindt nu in het bindweefsel dus de strijd
plaats tussen enerzijds de cellulaire elementen van het desbetreffende organisme
en anderzijds de schimmelcellen, die proberen om steeds grotere hoeveelheden
voedingsstoffen te absorberen (lees: de groei van de zgn. ‘tumor’) om het
aangetaste orgaan uiteindelijk volledig te consumeren en al doende plaats te
maken voor de cellulaire samengroeisels, die zich gedragen
als een organisme en daarmee de specialist misleiden in zijn diagnose
darmkanker, leverkanker, etc.
Anders
gesteld: principieel gezien bestaat er dus slechts één tumor! We lichten zulks
straks nader toe.
Naast het
gegeven, dat niet de kanker genetisch bepaald is, doch de kwetsbaarheid van een
specifiek orgaan (vergelijk families met een erfelijk risico op hartfalen,
huidklachten, maagklachten, etc.) heeft bovendien recent onderzoek uitgewezen,
dat genetisch materiaal geenszins onveranderlijk vastligt. Het DNA heeft niet de
leiding, doch reageert door keuzes te maken, gebaseerd op onze perceptie van
onze omgeving. Als bv. een cel stress ondervindt, doch niet beschikt over het
genetisch programma daarmee om te gaan, dan kan die cel een reeds bestaand
genetisch programma herschrijven; muteren in het DNA derhalve!
Ik kan niet
aan de verleiding weerstaan om aan dat DNA hier wat meer aandacht te besteden.
Enerzijds om
het fenomeen “zelfgenezing” – waarin ik in mijn boek een apart en
omvangrijk hoofdstuk heb gewijd – nu ook vanuit het DNA nader te kunnen
onderbouwen. Anderzijds om de oncologie nog eens nadrukkelijk te wijzen op haar
decennia geleden geformuleerde uitgangspunt voor wat betreft haar hypothese
(want méér dan dat is het immers niet), dat de ongecontroleerde groei van
tumoren zou afhangen van een aantasting van de groeimechanismen, veroorzaakt
door een falen van enkele delen van het DNA; in het bijzonder van die, welke
bestemd zijn voor de productie van de moleculen die nodig zijn voor de
celvermeerdering. Ik neem u daartoe mee naar een zeer recent artikel in het
gezaghebbende blad Science. Het betreft het gevolg van overbevissing, waarbij
door onder meer onderzoekers van het visserijinstituut Wageningen Imares werd
vastgesteld, dat bedreigde vissoorten zich door wijzigingen in hun DNA (!) langs
twee wegen biologisch aanpassen:
Het is dus
overduidelijk, dat het DNA niet de leiding heeft, doch reageert door keuzes te
maken, gebaseerd op externe invloeden; het reeds bestaande programma wordt
herschreven en leidt tot mutaties in het DNA. Een en ander verklaart tevens de
“spontane genezingen” en het belang van een vereiste psychische attitude
tijdens en na de diagnose van kanker. Een DNA dat dermate ontvankelijk is voor
het weerstaan van iedere bedreiging, kan moeilijk onderwerp zijn van een door
specialisten geformuleerde hypothese, leidend tot spontane en ongeremde
zelfvernietiging. Het DNA kan kwetsbaarheid van specifieke organen als oorzaak
hebben, doch niet aanzetten tot een zelfvernietigend proces!
Het
tweeledige probleem
Het falende
immuunsysteem en de externe invloeden.
We kennen de
factoren, die ons immuunsysteem verzwakken en kunnen ondermijnen; ik noem er
enkele:
De externe
invloeden: roken, asbest, bacteriën, virussen, chemische toevoegingen aan ons
voedsel, kwaliteit van ons drinkwater, uitlaatgassen, etc.
Deze
factoren, eventueel versterkt door genetische kwetsbaarheid, zetten een
specifiek orgaan onder druk, waarbij in de aanvankelijke fase het desbetreffende
organisme nog in staat is om RIJPE orgaancellen als afweer tegen de
candida-invasie in stelling te brengen en derhalve nog als een gedifferentieerde
tumor te herkennen door de specialist, die bv. een leverkanker diagnosticeert.
In de volgende fasen wordt het desbetreffende orgaanweefsel steeds onrijper en
is uiteindelijk niet meer als levercellen te herkennen. Anders gesteld: dezelfde
candida kan zowel als prostaatkanker als borstkanker worden gediagnosticeerd!
We kunnen
dit langs een volkomen andere weg adstrueren: Zouden we DEZELFDE stekel van een
zee-egel eerst in de huid, daarna in de bronchiën, het bot en de hersenen
enten, dan wordt er een immuniteitsreactie van het desbetreffende CELLULAIRE
type opgewekt, die poogt om die stekel in te kapselen, ofwel een soort cocon te
vormen om deze in te sluiten. Welnu, op precies dezelfde wijze benadert het
immuunsysteem de candida als vreemd lichaam, die ook hier een reactie van
inkapseling oproept en wordt uitgevoerd met het type cel van het binnengevallen
weefsel - bv. van de lever, leidend tot de diagnose leverkanker - en geeft
conform aanleiding om te spreken van bv. bot-, hersen- en klierkanker. Met
andere woorden: dezelfde stekel of dezelfde schimmel kan dus zowel klierkanker,
als beenkanker als een glioblastoom veroorzaken!
Terug naar
de hoofdlijn, waarbij het wellicht nuttig is een ogenblik stil te staan bij de
pathologische parallel in de ontwikkeling van kanker en candida. Is het
inmiddels niet logischer om te veronderstellen dat de parallel een
understatement is, dat ze samenvallen en dat ze kunnen worden aangemerkt als
één en dezelfde ziekte?
Een
overzicht van de analogieën tussen kanker en candida, gezien vanuit de
kenmerken van candida
Eén van de
verklaringen waarom candida nog steeds niet wordt geaccepteerd in haar relatie
tot kanker ligt in de omstandigheid dat candida zich ook kan manifesteren in
uiterst kleine dimensies. De schimmel is dermate klein, dat ze niet kan worden
waargenomen met de huidige onderzoeksinstrumenten in de geneeskunde. Dit
resulteert met betrekking tot oncologisch onderzoek in de alarmerende situatie,
dat deze schimmelcel een zeer hoog pathogeen (ziekteverwekkend) vermogen
combineert met een uitzonderlijk kleine afmeting, niet gevonden wordt met de
huidige onderzoeksmethoden, desalniettemin vanuit klinisch opzicht niet kan
worden ontkend, doch zeer hardnekkig recidiveert in een onomkeerbare en
chronische richting.
Hoe verloopt
namelijk dat proces?
Wanneer de
candida bij de vitale mens wordt aangevallen door het immuunsysteem of door een
behandeling (lees: chemo/bestraling), dan beschermt de schimmel zich
onmiddellijk door te veranderen in steeds kleinere en ongedifferentieerde, doch
nog volledig vruchtbare, elementen; tot aan het verbergen van de eigen
aanwezigheid toe, zowel voor het organisme van de mens waarop hij parasiteert
als voor diagnostische onderzoeken. Dit verklaart, dat zowel mijn vader, als
mijn broertje en zusje na behandeling werden gerustgesteld met de melding dat
het proces onder controle zou zijn. Nadien was het dan ook verder geen
verrassing meer voor mij bij de jarenlange begeleiding van terminale patiënten.
De oorzaak ligt in het uitzaaiingfenomeen van de primaire kanker, dat zich
onttrekt aan de waarneming van zowel de scan als het laboratoriumonderzoek. Ik
refereer in dit verband aan de resultaten van het in de inleiding vermelde
onderzoek van Huib Caron voor wat betreft de signalering van secundaire kankers
bij de vroeger met chemo behandelde kinderen!
Hetzelfde
kan zich voordoen bij de beoordeling van de snijvlakken bij een vermeende
geslaagde operatie. Wanneer er daarna gunstige omstandigheden voor verspreiding
ontstaan, dan breidt de candida zich bloeiend uit op een epitheel (een vitale
oppervlakte van een orgaan), maar zodra echter de weefselreactie op gang komt
verandert de candida weer massaal in sporen, zijnde de minder productieve, maar
voor chemo onaantastbare vorm. Indien echter in het bindweefsel, dat
rechtstreeks in contact staat met de candida, de specifieke structuren uiteen
zijn gevallen, is de normaal aanwezige barrière tussen epitheel en bindweefsel
vernietigd en heeft candida vrij spel. Naarmate dan de schimmelkoloniën sterker
worden en het orgaanweefsel uitgeput raakt, worden die orgaancellen steeds
onrijper totdat er sprake is van anaplasie (cellen zónder structuur) en dus
niet meer als levercellen te herkennen. Samenvattend: de candida maakt gebruik
van een structurele onderlinge verwisselbaarheid, die hij hanteert al naar
gelang de aanwezige moeilijkheden in zijn eigen biologische niche.
De metastase
Tot slot
enkele woorden over de uitzaaiing. Volgens de klassieke reguliere benadering
behelst uitzaaiing ‘het zich losmaken van kwaadaardige cellen uit de primaire
locatie van de kanker en het zich verplaatsen naar een ander anatomisch
gebied’. Volgens de microbiologie is er echter geen sprake van een
‘dolgedraaide cel’ - conform het standpunt van de oncologie - maar van een
infectieuze schimmelcel, die erin geslaagd is een ander orgaan of weefsel te
koloniseren, waarbij de mogelijkheid tot dat koloniseren en de locatie(s) van de
metastase(n) afhangen van de gezondheidstoestand van die organen en weefsels.
Anders - en
positief - gesteld:
Uiteraard
impliceert het bovenstaande dat, alhoewel operaties in bepaalde gevallen
onvermijdelijk zijn (gegeven de ernst bij de diagnose én als de zekerheid
bestaat dat de tumor vooralsnog ingekapseld is), elke operatie, chemo en
bestraling, die een bepaalde mate van schadelijkheid hebben voor het daarbij
betrokken weefsel, uiterst gevaarlijk kan zijn, omdat juist op deze manier de
uitzaaiing kan worden bevorderd. Het daardoor ontstane weefselletsel van het
daarbij betrokken orgaan is nu immers ontvankelijk voor de invasie van candida.
Graag wil ik
nu het bovenstaande betoog eens projecteren op een op 10 oktober 2007 verschenen
artikel in de Telegraaf. Ik citeer:
“Australische
onderzoekers hebben een doorbraak gemaakt in hun onderzoek naar de mysterieuze
ziekte, die in de afgelopen tien jaar 90 procent van de Tasmaanse buidelduivels
(vleesetend zoogdier) uitgeroeid heeft. Het gaat om een vorm van gezichtskanker.
Deze in Tasmanië levende buidelduivels geven de tu-morcellen aan elkaar door
als ze elkaar bijten tijdens het vechten. Omdat de Tasmaanse duivels genetisch
heel erg gelijk zijn aan elkaar, herkent hun lichaam de tumorcellen niet als
vreemd. Wetenschappers zijn sinds het opduiken van de ziekte tien jaar geleden
(!) bezig de inmiddels bedreigde diersoort te redden”.
De
cursiveringen zijn van mij met als doel de relatie met ons betoog te kunnen
herkennen. Niemand, dus ook ik niet, zal ontkennen dat de Tasmaanse duivels
genetisch aan elkaar verwant zijn. Dat gegeven staat echter op geen enkele wijze
in relatie tot een vermeende kanker. Het spoort natuurlijk uiteraard wél met de
reeds decennia geldende opvattingen in de oncologie! Hier blijkt maar weer eens
uit wat de gevaren zijn van vermeende axioma’s (genetische oorzaak voor
kanker) en de daaruit voortvloeiende verspillingen in het wetenschappelijk
onderzoek. Dat onderzoek is beslist nuttig, doch het vereist een voortdurend
kritisch bezien en bijstellen van de aangenomen vertrekpunten. Ik herhaal nog
maar eens: niet kanker kan erfelijk zijn, maar de kwetsbaarheid van een
specifiek orgaan.
Wat hier aan de orde is, is de combinatie van bijten (letsel), de in de mond van
de bijter zich bevindende candida en de overdracht van de candida naar de wond
van de gebeten Tasmaanse duivel. De kracht van het immuunsysteem van de gebetene
zal het verdere verloop bepalen; de genetica heeft hiermee niets van doen!
De blijde
boodschap
Na onze
beschouwingen over kanker en candida wordt het de hoogste tijd om ons af te
vragen wat de substitutie van kanker door candida ons voor nieuwe perspectieven
biedt. Het is mijn overtuiging, dat we de oncoloog Simoncini moeten danken voor
zijn baanbrekende inzicht. Het geeft ons nu eindelijk de mogelijkheid om de
verschrikkingen van chemotherapie achter ons te laten en - zo mogelijk nog
belangrijker - nu eindelijk te mogen vertrouwen op een succesvolle behandeling;
voorop gezet, dat de desbetreffende patiënt niet reeds volledig is uitgeput
door chemo en/of bestraling.
Eerst een
korte herhaling van de essentie, gezien in het licht van de hierna te bespreken
therapie.
Zoals in het voorgaande aangegeven heeft candida het aanpassingsvermogen van een
kameleon en ze paart een uitzonderlijk kleine afmeting aan een uitzonderlijk
hoog pathogeen vermogen. Ze kan met de huidige geneeskundige
onderzoeksinstrumenten niet eens worden waargenomen. Conclusie: een effectieve
en gerichte therapie moet dus rekening houden met niet alleen de macroscopische
en statische verschijnselen van candida, maar tevens met de ultramicroscopische,
vooral voor wat betreft zijn reproductieve dynamiek.
De weg via
chirurgie, bestraling en/of chemotherapie lijkt doelmatig, doch heeft als
mogelijk neveneffect dat uitsluitend de verbreiding van de schimmel wordt
gestimuleerd, terwijl die toch bij schimmelvormen van zichzelf al voldoende
sterk is.
Een adequate
behandeling daarentegen dient rekening te houden met zowel het belang van het
bindweefsel (dus niet beschadigen) als met de reproductieve complexiteit van
schimmels.
Dit impliceert een 2-sporenbeleid:
Wijze van
toediening van natriumbicarbonaat
Het zal u
inmiddels duidelijk zijn, dat met intraveneuze toediening (via een ader) van
bica slechts positieve resultaten kunnen worden behaald bij bepaalde tumoren,
terwijl bij andere, zoals tumoren in de hersenen of botten, langs deze
intraveneuze weg geen doeltreffende en duurzame werking kan worden bereikt. Voor
het rechtstreeks kunnen bereiken van het binnenste van de weefsels, dienen we
gebruik te maken van:
Bij
bijvoorbeeld een hersentumor is het nu inmiddels mogelijk met deze selectieve
arteriografie van de halsslagaders ongeacht welke hersenmassa te bereiken. De
enige uitzondering op deze doeltreffende benadering wordt gevormd in bepaalde
botgebieden, zoals wervels en ribben, waar de arteriële doorstroming uiterst
gering is, zodat dáár niet voldoende doses bij kunnen komen.
Ter
geruststelling nog dit:
Selectieve
arteriografie is pijnloos en heeft geen nawerking. Na sterilisatie en
plaatselijke verdoving van de oppervlaktelagen van de huid wordt er een naald
ingebracht in de slagader, die als toegangsdeur wordt gebruikt, waarna via deze
slagader een metalen geleider wordt ingebracht die door de angiograaf zichtbaar
kan worden gemaakt en kan worden gebruikt om de gezochte slagader te vinden.
Daarna wordt de katheter voor de toediening van de oplossingen aangebracht op de
plek, die de geleider aangeeft en wordt deze vervolgens aangesloten op de
onderhuidse port-a-cath die, zolang het nodig is, op de desbetreffende plaats
blijft zitten.
Waarom
specifiek bica, binnen het totale beschikbare veld van antimycotica?
Schimmels
zijn in staat om snel hun eigen genetische structuur te veranderen! Na de eerste
fase van gevoeligheid voor antimycotica (de verzamelnaam voor middelen tegen
schimmels) kan de schimmel het bestrijdingsmiddel binnen korte tijd codificeren
en metaboliseren (omzetten tot eenvoudige, uit te scheiden stoffen), zonder daar
verdere schadelijke invloed van te ondervinden. Een voor de hand liggende
vergelijking is hier de bekende immuniteit van een bacterie bij veelvuldig
gebruik van antibiotica.
Hoe is dat
gesteld met bica?
Bica
beschikt over een zeer grote verspreidbaarheid, het behoudt lange tijd het eigen
vermogen van penetratie in de massa’s, ook en vooral vanwege de snelheid
waarmee het deze massa’s uiteen doet vallen, zodat de schimmels zich er niet
zodanig aan kunnen aanpassen, dat ze zich ertegen kunnen wapenen. Voor een
vernietigende werking wordt bica van begin af aan gegeven in hoge doseringen, op
constante wijze, in cycli zonder onderbreking, waarvan de eerste cyclus zeven of
acht dagen duurt. De maximale dosering die in één sessie kan worden gebruikt,
ligt rond 500cc oplossing van 5%, waarbij de dosis met 20% kan worden verhoogd
of verlaagd al naar gelang de lijvigheid van de te behandelen patiënt.
In de
inleiding van dit artikel heb ik gesteld, dat het geenszins mijn doel is olie op
het vuur te gooien, doch om begrip te kweken voor de noodzaak zo spoedig
mogelijk een wezenlijk andere weg in te slaan bij de behandeling van kanker. Het
zal u inmiddels duidelijk zijn, dat ik daarbij doelde op een zo snel mogelijke
substitutie van chemotherapie door het bicaconcept van oncoloog Simoncini,
verwoord in zijn ook voor leken toegankelijk boek “Kanker is een schimmel; een
revolutionaire behandeling van tumoren”. De in deze materie – ik doel
daarbij op die gewenste substitutie – goed geïnformeerde lezer zal echter de
daaraan verbonden problematiek en de te verwachten tegenstand kunnen inschatten.
Niet alleen de alleszins begrijpelijke en logische financiële betrokkenheid van
de farmaceutische industrie (omzet in Italië naar verluidt circa drie miljard
euro per jaar) bij de toepassing van chemotherapie en haar niet te loochenen
impact op de reguliere geneeskunde, doch evenzeer de vasthoudendheid van de
oncologie aan haar decennia geleden geformuleerde uitgangspunten met betrekking
tot haar visie op de verklaring van het ontstaan van kanker beletten een snelle
heroriëntatie en een objectieve benadering van de visie van oncoloog Simoncini.
Wellicht ten
overvloede herhaal ik hier nog eens, dat Tullio Simoncini niet alleen een
oncoloog is met tientallen jaren ervaring, doch tevens chirurg, endocrinoloog,
diabetoloog en afgestudeerd in natuurkunde en filosofie.
Toch blijkt
het mogelijk, zo leert ons een recente ontwikkeling, het proces van acceptatie
in Nederland te versnellen. In 2002 mocht ik mede aan de wieg staan van een door
prof. Robert Gorter ingeslagen weg, zijnde het uit eigen bloed prepareren van
dendritische cellen ter versterking van het immuunsysteem van kankerpatiënten.
Dit in combinatie met locale en totale hyperthermie, teneinde dat gereactiveerde
immuunsysteem tot actie te noden. Een uitvoerige beschrijving daarvan vindt u in
mijn boek “Voor en na de Diagnose; een ongelijke strijd” en de gelijknamige
website.
Zodra de
reguliere geneeskunde daar destijds kennis van nam, werd het onderhavige idee
bespot en verguisd. Inmiddels is echter hetzelfde concept nu ook in Nederland
omhelsd en wordt zelfs hyperthermie vergoed door verschillende
ziektekostenverzekeraars. Deze ontwikkeling werd mogelijk gemaakt, doordat de
wetgeving in Duitsland op het hier relevante terrein verschilt met die in
Nederland. In ons buurland mag de terminale patiënt zelf kiezen voor een
therapie die hem als laatste redmiddel door een medisch specialist wordt
aangeboden. Het is dan ook om díe reden, dat ik Simoncini heb verzocht zich met
Duitse specialisten in verbinding te stellen. Het is derhalve niet ondenkbaar,
dat binnen afzienbare tijd de geïnteresseerde Nederlandse terminale patiënt
zich in Duitsland kan vervoegen voor een nadere oriëntatie ter zake
natriumbicarbonaat, uiteraard met medeneming van zijn/haar medisch dossier en in
overleg met, resp. melding aan, zijn Nederlandse specialist, die de patiënt
terminaal heeft bevonden.
In de
inleiding heb ik ook aangegeven, dat ik naast het pleidooi voor bica tevens
concrete behandelingsgevallen vanuit deze visie onder uw aandacht zou brengen.
Het behoeft nu geen verder betoog meer, dat ik mij daarbij zal moeten onthouden
van eventuele voorbeelden, ontleend aan mogelijk Nederlandse patiënten; zulks
ligt immers buiten mijn scoop. Waarom zouden in Italië met bica bereikte
resultaten niet uw belangstelling hebben en de doeltreffendheid van de therapie
niet ondersteunen en aantonen? Dit is dan ook een retorische vraag! In zijn boek
“Kanker is een schimmel” beschrijft Simoncini een groot aantal klinische
casussen, waarvan ik er hier enkele summier zal beschrijven.
Klinische
casus prostaatcarcinoom
Patiënt,
chirurg van beroep, ondergaat in 1995 radicale prostatectomie (operatief
verwijderen van de prostaat). In 1998 een recidiverend! gezwel in de
prostaatloge. Behandeld met hormonale therapie en ultrasone geluidstrillingen.
Vanaf 2001 een toename van de PSA-waarden en een toename van het gezwel. MRI
toont een gezwel van 2,2 x 2,5 cm aan. Op 25 juli 2001 wordt gestart met bica;
een katheter wordt aangebracht in de buikslagader langs welke bica-oplossingen
van 5% (500cc) dagelijks gedurende zeven dagen worden toegediend. Na de
behandeling dalen de PSA-waarden constant van augustus tot oktober. In december
volgt nog een intraveneuze bestendigingcyclus en een MRI-scan laat in maart 2002
zien, dat de tumor volledig verdwenen is! In het boek van Simoncini treft u op
pagina 234 een verklaring van de desbetreffende patiënt – zoals reeds
opgemerkt zelf een chirurg – over zowel de behandeling als het bereikte
resultaat en zijn grote respect voor Simoncini.
Klinische
casus metastatische mergcompressie
Patiënte
van 40 jaar ondergaat een radicale mastectomie van de linker borst vanwege een
vastgesteld borstcarcinoom. Na gedurende drie maanden daaropvolgend
chemotherapie blijkt de patiënte nu tevens te lijden aan: diffuse long- en
levermetastasen, botmetastasen met invasie en compressie van het mergkanaal,
hetgeen leidt tot extreem veel pijn, die niet reageert op ongeacht welke
behandeling. Er wordt haar palliatieve bestraling aangeboden, die zij echter
weigert, zich bewust zijnd van de waarschijnlijk noodlottige gevolgen daarvan.
Simoncini stelt in dit stadium voor een lumbale punctie te verrichten met bica
en hij injecteert langzaam 50cc van een natriumbicarbonaatoplossing van 8,4%.
Onderhavige patiënte belt de volgende dag Simoncini met de enthousiaste
mededeling ‘de gehele nacht te hebben geslapen, zonder enige pijn!” Na nog
eens twee toedieningen van bica werden de daarop volgende MRI-scans van vóór
en na de behandeling door een bevriende radioloog als ‘schokkend’ ervaren
voor wat betreft het verschil.
Vanaf pagina
192 tot en met pagina 236 behandelt Simoncini in zijn boek achttien klinische
casussen met een uitgebreide toelichting, geïllustreerd met foto’s van de
desbetreffende organen en aangevuld met verklaringen van de desbetreffende patiënten.
U zult zich
wellicht – terecht – afvragen wat mij toch motiveert om een lans te breken
voor een doorbraak in de behandeling van tumoren. Deze als missie ervaren
doelstelling heeft meer dan één achtergrond. Al mijn vroegere gezinsleden
werden geconfronteerd met tumoren. Bij mijn vader, zusje, broertje en moeder
waren de primaire tumoren respectievelijk prostaatkanker, borstkanker,
darmkanker en huidkanker. Zij honoreerden het advies van operaties, chemo en
bestraling en werden uit het ziekenhuis ontslagen. Vrij kort daarna volgden als
secundaire kankers bij mijn vader bot- en longkanker; bij mijn zusje
leverkanker, gevolgd door een hersentumor; bij mijn broertje leverkanker.
Triest, de essentiële ‘details’ bespaar ik u hier, doch gememoreerd dient
te worden de diskwaliteit van leven na hun behandeling met chemo.
Toen bij mij
nu ruim tien jaar geleden prostaatkanker werd gediagnosticeerd en mij terloops
werd toegevoegd, dat mij nog zes maanden zouden resten als ik geen reguliere
behandeling zou accepteren, waren de ervaringen bij mijn familieleden voor mij
voldoende aanleiding om dit genereuze aanbod af te slaan en mijn eigen weg te
zoeken. Een beschrijving van mijn ervaringen daarna treft u uitvoerig aan in
mijn recent verschenen boek “Voor en na de Diagnose” en op de gelijknamige
website. Een gedetailleerde inhoudsopgave, uitgesplitst naar hoofdstuk en
onderwerp, geeft u een indruk van de opbouw van de stof.
Gedurende de
afgelopen jaren begeleid ik, vanuit een door mij opgerichte Stichting, terminale
patiënten, resulterend in een omvangrijke verslaglegging ter zake, het
terminale proces, waardoor ik uit onverdachte hoek een inkijk verkreeg in
therapieën en hun al dan niet bereikte resultaten. Vanuit de oprichtingsakte
van de Stichting acht ik het daarnaast een noodzaak om mij mondiaal via internet
te oriënteren ten aanzien van nieuwe behandelingsmethoden en daaraan
gerelateerde visies, hetgeen er onder meer toe leidde, dat ik in contact kwam
met de reeds genoemde prof. Robert Gorter in Duitsland (dendritische cellen en
hyperthermie) en de oncoloog Tullio Simoncini in Rome. Robert Gorter en Tullio
Simoncini hebben onder andere gemeen een geweldige inzet, een ongebruikelijk
grote empathie voor de patiënt en een maximale bereidheid tot support, hetgeen
zich onder meer uit in een vrijwel continue bereikbaarheid per e-mail en mobiele
telefoon.
Aangezien ik
door drukke werkzaamheden niet in de gelegenheid ben – en mij daarvoor evenmin
voldoende deskundig acht – om eventuele vragen over bica adequaat te
beantwoorden, verwijs ik naar het boek “Kanker is een Schimmel”, alwaar u op
bladzijde 270 het mobiele nummer en het e-mailadres zult aantreffen van
Simoncini. Dit boek (en ook de Engelstalige versie) kan desgewenst via mij
besteld worden. Tevens vermeld ik aan het slot een website waarop u uitvoerige
informatie over het onderwerp zult vinden.
Alhoewel het
vrijwel ondenkbaar is, dat hieromtrent – na al het voorgaande –
misverstanden zouden kunnen bestaan, eerst nog enkele afsluitende opmerkingen:
1.
eighty years of genetic study and application have been for nothing,
especially considering that the genetic theory of cancer has never been
demonstrated;
2.
the loss of millions, if not billions, of lives with all the suffering
has been for nothing;
3.
the billions of dollars spent on chemotherapy, radiotherapy etc. have
been for nothing;
4.
the recognition and prizes given to eminent researchers and professors
have been for nothing;
5.
the oncologist could be replaced by the family doctor;
6.
the pharmaceutical industry will incur tremendous financial losses while
sodium bicarbonate is inexpensive and (!) impossible to patent!
Voor nadere
en aanvullende gegevens over het onderwerp natriumbicarbonaat kunt u terecht op
de sites www.curenaturalicancro.org
en www.voorennadediagnose.nl
Tot slot
dank ik oprecht die lezer, die bereid bleek mijn betoog tot het einde toe te
volgen.
Henk Trentelman
(Bron: Niburu.nl)