Het mondiale
misbruik van geldscheppen
door Patrick
Steensma
Met de komst van de Euro zijn de landen van de Europese Monetaire Unie definitief overgestapt op het geldsysteem dat ten grondslag ligt aan de Amerikaanse Dollar en het Britse Pond. Het betreft hier een geldsysteem dat gedurende de laatste eeuwen een steeds dominantere rol is gaan spelen, met als gevolg het toe-eigenen van steeds meer politieke en economische macht in de handen van het internationale bankwezen. Privé-ondernemingen dus, die een monopolie op geldschepping bezitten en zich grotendeels kunnen onttrekken aan democratische controle. Bij deze een summier overzicht van de geschiedenis en verder een analyse van de achtergronden van het moderne geldstelsel.
De Bank van Amsterdam
Geld is van origine een rekeneenheid om de basis van de
economie, de ruilhandel, te bemiddelen en de waarde van de te verhandelen
goederen uit te drukken. In het geldsysteem van het Romeinse Rijk (RR) lag het
recht van munt slaan en uitgifte exclusief bij de staat. De strikte vuistregel
die hierbij werd gehanteerd, was dat de uitgifte werd beperkt totdat de waarde
steeg tot boven de waarde van het metaal zelf. Opmerkelijk is dat vanaf de tijd
van Julius Caesar tot de val van het RR de waardeverhouding (de ratio) van
goud:zilver constant 1:12 was gebleven. Vanaf de val van het RR tot in de 17e
eeuw kwam het recht van munt slaan en uitgifte bij de vorsten van het westelijk
deel van Europa terecht, alsook het zelf bepalen van de ratio. Door hun
onderlinge strijd op dat gebied leidde dit veelal tot waardevervalsing en werden
velen hier de dupe van.
Geleidelijk deed het papiergeld haar intrede. In Nederland
was één van de eerste vormen van papiergeld de kartonnen dollar, in 1572
uitgegeven door de Stad Leiden. In 1609 voltrok zich een ingrijpende verandering
door de stichting van de Bank van Amsterdam (BvA), een privé-onderneming. Haar
organisatievorm en werkwijze vormt eigenlijk de basis waar het huidige westerse
banksysteem uit is voortgekomen. Het systeem dat de BvA hanteerde was dat het
elke soort zilveren munt in ontvangst nam en krediet gaf voor alleen zijn puur
metalen inhoud. Het werd dan (om)-gewaardeerd op basis van de munt van de bank,
deze betaalde daarnaar uit en mensen konden hun geld eventueel in de vorm van
guldens of dukaten als krediet bij de BvA laten staan (deposito’s). Dit
systeem had aantrekkelijke voordelen, en uit vele windstreken van de wereld
kwamen munten en ladingen zilver naar Holland.
Zo ontstond het tot dan toe onbekende fenomeen van de
marktwerking van de waarde voor edele metalen, hetgeen het in omloop brengen van
een steeds meer toenemende hoeveelheid geld teweegbracht, dat weer een enorme
inflatie veroorzaakte. Een gevolg was dat metaal i.p.v. geld de rekeneenheid
voor de waarde werd. Zo zijn de "gouden en zilveren standaard"
ontstaan; een vastgestelde waarde van een munt in goud/zilver. Zolang het door
de wet geregeld werd bepaalde het aantal munten van een geldeenheid de prijzen,
maar na de 17e eeuw vormde de wet geen onderdeel meer van de waardering. Het
instituut geld brokkelde af qua betekenis, doordat de regering de controle over
geld was ontnomen, hetgeen altijd gezien werd als een essentieel onderdeel van
soevereiniteit en een waarborg voor een rechtvaardige verdeling van de welvaart.
Na het einde van de Tachtigjarige Oorlog in 1648 werd het
vrije munt slaan losgelaten en gingen aangewezen munten (guldens) als wettig
betaalmiddel door, hetgeen de enorme door het vrije munt slaan veroorzaakte
prijsstijgingen weer corrigeerde. De BvA was enigermate aan banden gelegd. In
1795 trof een plunderende Franse koning echter een lege en insolvabele bank aan,
doordat de BvA in het geheim de goud - en zilverstaven had uitgeleend die aan
haar cliënten toebehoorden. De ‘burgermeesters’ van de BvA werden meinedig
verklaard en de stad Amsterdam werd ‘onteerd’. In 1816 werd de opvolger De
Nederlandse Bank (DNB) opgericht, gebaseerd op de statuten en werkwijze van de
Bank of England (1), een privé-onderneming.
Engeland
Tijdens de 17e-eeuwse oorlogen tussen Holland en Engeland
raakten de Engelsen zo onder de indruk van de werkbare vormen die de Hollanders
hanteerden, dat ze hen van A tot Z zijn gaan kopiëren. Zo werd het land in 1653
ook (tijdelijk) een Republiek en pakte het in 1666 het systeem van vrije munt
slaan op. Door de onvoldoende aanvoer van goud en zilver om munten te slaan en
de onvoldoende binnenkomende belastinggelden, werden er nieuwe wegen gezocht
voor het invullen van het geldsysteem. In 1688 werd Willem III (nb prins van
Oranje) de troon van Engeland beloofd als hij de heersende bankiers het recht
gaf om geld uit te geven. Zijn twijfel hierover werd weggenomen doordat hij
tegen 8 % rente zoveel mocht lenen als hij wilde en de bankbiljetten het
opschrift kregen "The Bank of England - redeemable (inwisselbaar tegen) in
Gold or Silvercoins".
Zodoende werd in 1694 de Bank of England (BoE) gesticht, die
op haar beurt weer een voorbeeld werd voor de banken op het continent. Het brein
hierachter was William Paterson; een vooraanstaand bankier. Hij stemde er in toe
de koning te voorzien van goud uit zijn eigen bankreserve, en papiergeld, om
zodoende de enige bankier te worden van de Engelse schatkist. Zodoende werd de
BoE een privé-onderneming. (2) Een opmerkelijke bepaling in het
oprichtingsstatuut was "The Bank hath benefit on the interest on all monies
which it creates out of nothing". Mede hierdoor kon de regering haar
activiteiten financieren door op deze wijze geld te lenen, i.p.v. het uitoefenen
van haar recht om het zelf uit te geven. En zo werd het fenomeen
‘staatsschuld’ geïnstitutionaliseerd. (3)
Ook de toenmalige handelswijzen van banken en goudsmeden
droegen bij aan het ontstaan van het huidige banksysteem. Mensen stortten vaak
hun goud bij hen, tegen afgifte van een wissel. Iemand anders die van hen leende
kreeg ook een wissel. Zo waren er twee wissels met één partij goud die dat
dekte. Doordat ze lang circuleerden en er uitgerekend kon worden hoe vaak cliënten
terug kwamen om hun wissels in te ruilen tegen goud, werd het systeem steeds
verfijnder. Zo werden er steeds meer wissels uitgeschreven met steeds minder
goud als feitelijke dekking.
Deze wissels werden een wettig betaalmiddel en vermeerderden
zo het totale geld in omloop. De goudsmeden en banken kregen wel de nodige
problemen. Zo werden ze regelmatig in paniekgolven bestormd door mensen die hun
papiergeld wilden ‘verzilveren’, wanneer het gerucht (weer eens) de ronde
ging dat banken of goudsmeden niet genoeg zilver of goud hadden om mensen te
kunnen uitbetalen. Het verstrekken van leningen werd dan gestopt, uitstaande
leningen werden opgevraagd, en velen gingen zo failliet. In het verloop van de
18e, 19e eeuw waren dergelijke crises schering en inslag.
De Rothschilds
Eind 18e, begin 19e eeuw, groeide de bankiersfamilie
Rothschild uit tot een trendsetter in de internationale bankierswereld.
Stamvader Mayer Anselm Rothschild aan het woord : "Geef mij het recht van
een land het geld uit te geven en het maakt me niet uit wie de wetten
maakt." In London was het zoon Nathan, die naar eigen zeggen, door de
oorlog met Napoleon zijn vermogen 2500 keer heeft kunnen vermeerderen naar 50
miljoen pond, terwijl de totale geldhoeveelheid in Engeland £ 35 miljoen
bedroeg.
Hij deed dit door veel van de leningen aan de Engelse
regering op te kopen alsook die van de staatsschulden van andere Europese
landen. Hij realiseerde dit door met een fractie aan dekkingsreserve grote
hoeveelheden geld uit te lenen (lees: te creëren). Hij kreeg zo het
persoonlijke vertrouwen van de Britse regering door ze van hun schuldenprobleem
te ‘verlossen’. Aan de Rothschilds hebben wij het te danken dat er sindsdien
sprake is van een structurele samenwerking tussen (lees: uitbesteding van
geldschepping door) regeringen en (aan) bankiershuizen. (4)
De Verenigde Staten
In de toenmalige Amerikaanse koloniën mochten sommige staten
van Engeland hun eigen geld uitgeven. In 1764 werd hen dit op instigatie van de
Engelse bankiers verboden, waardoor zij van hen geld zouden moeten lenen. Dit
leverde de nodige tegenstand op en was een hoofdoorzaak van de
onafhankelijkheidsoorlog. Ook in de VS was er in de 18e eeuw regelmatig sprake
van eendere paniekaanvallen zoals in Engeland, met alle economische malaise van
dien. Door de ervaringen hiermee beschouwden de Founding Fathers van de
Amerikaanse staat vooral het papiergeld (5) als een kwaadaardig element. Daarom
is uitgebreid stilgestaan bij het te hanteren geldsysteem, dat werd vastgelegd
in de Constitution. Deze kende aan het Congres de bevoegdheid toe om geld uit te
geven en de waarde ervan te regelen. (6)
Tevens mocht er alleen muntgeld uitgegeven worden, werd dit
het enige wettige betaalmiddel voor het betalen van schulden (7) en werd de
dollar de rekeneenheid. (8) Binnen een jaar na het inwerking treden van de
Constitution waren de problemen met geld verdwenen, en in de jaren daarna
groeide de voorspoed snel in de daarbij aangesloten staten. De eerste minister
van Financiën, Alexander Hamilton, was echter sterk op handen van de bankiers
uit Engeland, en wel vnl. die van het bankiershuis Rothschild. Hij kreeg er een
wet doorheen waardoor het recht van gelduitgifte weer teruggegeven werd aan de
zojuist verslagen vijand. (9) Het behelsde het oprichten van The Bank of the
United States, een privé-onderneming, die als enige het recht kreeg om geld uit
te geven (10) Andrew Jackson, die door zijn gezonde geldsysteem de staatsschuld
tot nul reduceerde, was een felle tegenstander van deze wet en in 1828 verlengde
hij deze wet - die de licentie voor dezelfde bank zou verlengen – niet. (11)
Zijn opvolgers weer wel.
Toen Lincoln president werd was hij op zoek naar financiering
van de burgeroorlog. De internationale bankiers wilden 20-30 % rente vangen, dus
dat weigerde hij. Derhalve creëerde hij een wet waarmee hij bepaalde ‘United
States Notes’ - zogeheten ‘Greenbacks’ - in het leven riep, zonder dat er
tegenover de uitgifte een schuld of rente stond. Zo financierde hij de oorlog.
De internationale bankiers waren helemaal in paniek, aangezien hun positie op
het spel stond. Ondanks heftige protesten van Lincoln werd er in 1863 weer een
wet aangenomen, waardoor het recht van uitgifte weer bij een privé-onderneming
terecht kwam. Rood aangelopen riep hij uit dat hij de daarmee samenhangende
bankiers wilde bestrijden en mede hierom is hij vermoord. (12)
Er bleef in de V.S. strijd omtrent de zeggenschap over de
geldschepping. Een belangrijke slag voor de bankiers werd geslagen naar
aanleiding van de (gemanipuleerde) financiële crisis van 1907. Deze toonde
zogenaamd aan dat een centrale bank broodnodig was. (13) Zo kon in 1913 de
Federal Reserve (FR) er doorheen gedrukt worden. De naam doet het niet
vermoeden, maar de FR is een volledig private onderneming, gerund door 12
private banken. Deze bank is vooral uitgekiend door Paul Warburg, van de bank
Kuhn, Loeb &Co, voortgekomen uit het bankiershuis Rothschild. Dit deed hij
in samenwerking met bankiers van o.a. JP Morgan en Rockefeller. (14) Congreslid
McFadden, voorzitter van de bank commissie, kwam achter de frauduleuze inslag en
heeft alle betrokkenen bij de onderneming van de FR diefstal en valsmunterij ten
laste gelegd. (15) Een van zijn opvolgers, Wright Patman, concludeerde dat de FR
een ongecontroleerde, onafhankelijke schaduwregering was die de monetaire macht
uitoefent die aan het Congres toebehoort. (16)
Strikt formeel genomen is het regelen van de gelduitgifte en
waardering van geld volgens de Constitution door het Congres niet delegeerbaar,
en is zelfs nergens bepaald dat het ‘bankpapier van de FR’ wettig
betaalmiddel is (i.c dus ook niet voor het voldoen van schulden aan de staat
waarin je leeft; zie de voetnoten 6-8). In de praktijk hebben de FR banken
echter de bevoegdheid om de staatsdrukkerij in te gaan en daar voor b.v. 2/3
penny een $ 50.000-biljet te laten drukken, waarmee ze in de schatkamer een
staatsobligatie kopen.
Deze zetten ze om in $ 50.000 cash (terwijl aan hen nog wel
de rente daarvan betaald moet blijven worden) en potten dit geld vervolgens op
als dekking om er nog eens $ 1.500.000,- mee uit te lenen tegen 6 % jaarlijkse
rente. (17)
De laatste president die wat aan de FR wilde doen was JF
Kennedy. Hij had een Executive Order (18) in het leven geroepen waardoor hij
‘United States Notes’ in circulatie kon brengen - weer zonder schuld en
rente - i.p.v. de ‘Federal Reserve Notes’. Zo had hij 350 miljoen aan $
5-dollar biljetten (zie afbeelding hieronder) in omloop gebracht. Wellicht is
dit een van de redenen geweest voor zijn moord. De dag na de moord werd Lyndon
Johnson President, en op die dag herriep hij deze Executive Order.
In 1971 hief Nixon de dekking (en daarmee de
inwisselbaarheid) door goud van schulden (NB ook buitenlandse) in dollars en,
vervolgens voor bankpapier compleet op, waardoor de banken de handen nog meer
vrij kregen. (19) De jaren daarna liet de rest van de wereld ook de gouddekking
vallen. (20)
Internationale bankiers
De internationale bankiers zijn zich de laatste twee eeuwen
steeds meer gaan focussen op internationale economisch politieke doeleinden.
Andere economieën werden zo te veroveren gebieden om hun geldsysteem naartoe te
exporteren, als een middel voor wereldheerschappij. Quigley doet hun plannen helder uit de doeken: "…the powers of financial capitalism… had another far reaching
aim, nothing less than to create a world system of financial control in private
hands able to dominate the political system of each country and the economy of
the world as a whole. This system was to be controlled in a feudalist fashion by
the central banks of the world acting in concert, by secret agreements arrived
at in frequent private meetings and conferences". (21)
Onderzoek wijst uit dat dit zelfs zover ging dat Amerikaanse
bankiers Lenin en Trotsky hebben gefinancierd en 80 % van de opbouw van de
Sowjet Unie gebeurd is met de hulp van Amerikaanse banken en bedrijven. Ook is
bekend dat Hitler door Amerikaanse banken werd gefinancierd (w.o. de Union
Banking Corporation) en gesteund (o.a. Chase Bank). (22)
Na WO II zijn de internationale banken tevens de
geldscheppers van de Wereldbank en het IMF geworden. (23) Door het opleggen van
hun beleid (Structurele Aanpassings Programma’s) hebben vooral vanaf eind
jaren ‘70, de internationale banken ervoor gezorgd dat meer dan 100
ontwikkelingslanden met enorme schuldenlasten (n.b. in hun nep-dollars) werden
opgezadeld met alle gevolgen van dien. (24) Tevens werden in de jaren ’80
grote delen van de schulden van grote bedrijven en commerciële banken in
ontwikkelingslanden uitgewist en omgezet in officiële staatsschulden. De
ineenstorting van het communisme opende weer nieuwe mogelijkheden in de jaren
’90.
Staatsschuld
De huidige situatie is dat banken geld mogen scheppen uit het
niets en ingelegde gelden de facto multipliceren. Voor een lening hoeven ze
slechts 3 % van het uitgeleende bedrag te dekken. Er hoeft nauwelijks nog maar
één geldbiljet gedrukt te worden; 95% van het geld is inmiddels giraal. De
goudstandaard zorgde nog enigszins voor een dekking van het geld in circulatie,
maar sinds het loslaten ervan is de weg vrij voor ongelimiteerde geldschepperij.
Op bankpapier is deze belofte in de vorm van een opschrift daarmee tevens
verdwenen - op de EURO staat ook niets - en worden valuta’s steeds meer een
abstractie. Continue stijging van de geldhoeveelheid is inherent aan dit systeem
en daarmee een belangrijke oorzaak van inflatie, zodat er weer meer geleend moet
worden. De banken houden de inflatie op een ‘beschaafd’ peil zodat het
vertrouwen in hun geldstelsel gehandhaafd blijft. Eigenlijk vormen de regeringen
met hun financieringsbehoeften (is hetzelfde als die van bedrijven) de grondslag
en de garantie / vertrouwensbasis van de internationale kapitaalmarkt.
De handel in staatsobligaties en schatkistpapier, met een
dagelijkse omzet van honderden miljarden dollars, staat als het ware in hart van
het stelsel.
De EMU-landen hebben zich nu een maximale nationale
schuldquote (25) van 60 % ten doel gesteld. De schuldquote van b.v. de VS ligt
nu boven de 85 %; haar staatsschuld is $ 6 triljoen. (26) Opgeteld was de
schuldquote van alle landen in de wereld in 1994 76 % ! In concreto gaat dit
geldsysteem er vanuit dat belastingbetalers opdraaien voor de uitgaven van
regeringen, alsook hun leningen. Deze staatsleningen zijn zo de beloften van de
belastingbetalers om te betalen, verzekerd door een eerste retentierecht op al
de onroerende en roerende goederen van een land en het nationale inkomen. Zo
worden beloften van regeringen omgezet in betalingsverplichtingen door private
personen. (27) Het is dan ook geen toeval dat gelijktijdig met het ontstaan van
de FR het inkomstenbelastingstelsel in de VS werd ingevoerd. (28) Zo fungeert
dit - en andere (overmatige) belastingen - als de melkkoe van dergelijke
geldsystemen.
De DNB is door de wijziging van de Bankwet in 1998 formeel
geheel onafhankelijk geworden van de staat. Deze wijziging was noodzakelijk
opdat de DNB toe kon treden tot het stelsel van de Europese Centrale Banken.
Feitelijk, en gezien het bovenstaande, betekent het de volledige overdracht aan
de Europese Centrale Bank van het soevereine recht van de EMU-landen om zelf de
gelduitgifte te regelen. Artikel 104 van het Verdrag van Maastricht 1992 bepaalt
daarnaast ondubbelzinnig: "De centrale bank is in het geheel niet gehouden
om de regering van krediet te voorzien, de centrale bank kan niet gedwongen
worden zulk een krediet te verschaffen". (29) Daardoor moeten regeringen
primair via de reguliere banken zorgen voor financiering.
Dit én de soevereiniteitsoverdracht betekent formeel een
complete uitsluiting voor een land om schuldloos zijn eigen economie met zijn
eigen geld te voorzien en zelf de geldhoeveelheid en waarde te regelen, b.v. à
Mogelijkheden
Begrijpelijk wordt het zo dat de voorgestelde monetaire
hervormingen uit de 19e en 20ste eeuw er telkens op neer kwamen dat het
instituut van staatsschuld - gepraktiseerd zoals boven beschreven - losgelaten
moet worden en niet meer moet worden erkend. (30) Hiermee zou b.v. tevens het
grootste probleem van de ontwikkelingslanden kunnen worden opgelost. Idealiter
zou de opname in de Grondwet zijn van een geldsysteem dat door de
volksvertegenwoordiging geregeld wordt - eventueel erdoor gedelegeerd, maar wel
onder haar controle blijvend - qua waarde (geen absurde marktwerking of
inflatie) en circulatiehoeveelheid, waarbij banken hun geldscheppende functie
wordt ontnomen.
De regering kan dan de volksvertegenwoordiging verzoeken haar
van geld te voorzien voor het lopende begrotingsjaar. (29) Tevens dient het
belastingstelsel te worden herzien (verlaagd) en te worden toegesneden op de
noodzakelijke uitgaven voor de regering. (31) Zo komt er meer geld bij de mensen
en bedrijven zelf terecht waardoor ze meer invloed uit kunnen oefenen op
financieringsvraagstukken in de maatschappij.
Een zeer treffend voorbeeld van hoe er een geheel andere
stroom op gang komt en mensen hun eigen creativiteit weer kunnen aanwenden is
het "Wära-project". (32) Dit project werd in oktober
Dit was ingebouwd als waarborg voor een rappe omloopsnelheid
en het indammen van oppotneigingen. Indien dit n.l. niet wordt ondervangen dan
kan dat crises veroorzaken. Wat dat betreft zit de logica hem hierin dat geld in
wezen de reflectie is van de produktiemogelijkheden op een gegeven moment. Deze
zijn eindig of beperkt, en dit betekent dat het geld van dat gegeven moment
eindig is in waarde. Dit houdt ook in dat geld telkens opnieuw geschapen moet
worden op basis van de produktiemogelijkheden van een gegeven moment. Het is
wenselijk dat dit tot uitdrukking komt in het geldsysteem. Het huidige
geldsysteem brengt deze verfijning niet tot uitdrukking. In de laatste wordt
geld als een factor op zichzelf beschouwd, is dan i.c. een produkt, met een
oneindige houdbaarheid, en wordt het zelfs een produktiemiddel i.p.v. een
weergave van de produktie- mogelijkheden (n.b. geld is in wezen de boekhouder
van de economie). (34)
De dorpen Schwanenkirchen, Hengersberg en Schöllnach waren
in herfst 1930 (toen de wereld zich midden in de deflatiecrisis bevond) zelfs
compleet overgestapt op de Wära, zodat de werkeloosheid was verdwenen en de
afzet op een structureel gezond peil bleef. De Wära ging ter ziele doordat de
Duitse Minister van Financiën het als verboden verklaarde, zodat de crisis
terugkeerde en de werkeloosheid weer onophoudelijk steeg. (35) Intussen waaide
het echter wel over naar andere landen.
In Wörgl (Oostenrijk) werd in 1932 door de Burgemeester een
dergelijk initiatief gestart met het aldaar genaamde "Freigeld",
vanwege de behoefte om er bepaalde projecten te realiseren, wat echter
onmogelijk werd gemaakt door de hoge schuld van de gemeente vanwege de er
heersende werkeloosheid. (36) Met dit Freigeld konden mensen ook hun lokale
belastingen betalen en werden er lonen mee uitbetaald. Zo ging naast de
Oostenrijkse Schilling dit Freigeld lopen en begonnen andere omliggende dorpen
het te accepteren en zelf ook toe te passen. Een jaar later wilden 170 andere
plaatsen het ook gaan implementeren, maar al snel daarna werd het verboden
verklaard doordat volgens de wet het recht van gelduitgifte exclusief aan de
Centrale Bank toebehoorde. Gevolg was dat ook daar de crisis weer terugkeerde.
In de VS had de toen der tijd welbekende prof. Irving Fischer
een zeer lovend artikel geschreven, wat in meer dan 100 landelijke dagbladen
verscheen, over hoe dit de nog heersende gevolgen van de crisis van 1929 zou
oplossen. Een hoop steden zijn het toe gaan passen (37), evenwel was de
toegepaste waardevermindering veel te hoog ingezet (elke week 2% i.p.v. 1% per
maand), waardoor het niet zoals in Wörgl werkte. (38) Het verloor hierdoor zijn
aantrekkingskracht en het vertrouwen van de mensen en vervolgens verklaarde
Roosevelt het als verboden a.d.h.v. zijn New Deal. (39) Ook de toenmalige Franse
Minister-President E. Daladier was erg onder de indruk toen hij het in 1934 ter
plekke in Wörgl is gaan aanschouwen. Hij kwam tot de opmerkelijke uitspraak dat
"… dit systeem er voor kan zorgen dat de beweging van
Andere dergelijke uitwerkingen zijn ook denkbaar, zoals
LETS-systemen. (41) Een in Argentinië bestaande vorm ervan is de ‘Crédito’,
inmiddels papiergeld geworden, die de leefomstandigheden van nu (20.07.02) al 7
miljoen mensen heeft verbeterd, en onderdeel is van het mondiale steeds
succesvollere ruilnetwerk ‘Red Global del Trueque’. (42)
De ‘Constitution’ van de VS kan verder zeker nog als voorbeeld dienen, met dien verstande dat uitsluitend muntgeld als wettig betaalmiddel niet hoeft en tegenwoordig niet meer praktisch is; de principes van het systeem zelf zijn dat echter wel. Ook een gouddekking hoeft niet omdat er betere vormen te vinden zijn die een reëlere vertrouwensbasis bieden. (43) De ‘concrete abstractie’ zit hem hier in dat zolang mensen immers de circulerende valuta vertrouwen door het simpelweg te accepteren als een wettig betaalmiddel, het hierdoor zijn ervoor uitgedachte waarde krijgt en de ‘legitimering’ wordt bekrachtigt (zoals ook werd beaamd door iemand van de FR(44)). Het scheppen van een betere vertrouwensbasis dan het huidige corrupte systeem is, zo bezien, eigenlijk een eenvoudige zaak.