Fairbanks
– Alaska (HAARP)
Deel
3
Dan
Eden van ViewZone Magazine

De
gevolgen van de waarheid
In het voorjaar van 1999 was het kantoor van Viewzone verhuisd naar West-Massachusetts, vlak buiten Springfield.
Het verhaal over Alaska was ontdaan van alle namen en verwijzingen en was een
speciaal artikel geworden. Ik had zelfs dr. Bernard Eastlund geïnterviewd en
was te weten gekomen dat hij net zo teleurgesteld was als iedereen dat zijn
patenten alleen voor oorlogsdoeleinden werden gebruikt. Dr. Eastlund was blij
met de mogelijkheid om zijn mening te kunnen geven, maar waarschuwde me ook
dat ik ‘met God rommelde’, zoals hij het uitdrukte. Hij maakte ook een
interessante opmerking die ik al eerder had gehoord: ‘U zult geen verschil
maken.’
Het artikel werd ongeveer een maand na publicatie in Viewzone
overgenomen door de Art Bell Radio Show, een groot programma dat in diverse
staten tegelijkertijd te horen was, ’s avonds laat werd uitgezonden en over
UFO’s en andere vreemde wetenschappelijke onderwerpen ging. Dat was een
wijdverbreid programma dat kennelijk de aandacht trok van de ‘hogere’
machten en daardoor was het onvermijdelijk dat ze mij kwamen opzoeken.
Dat gebeurde op een maandagochtend, vlak nadat ik op kantoor was
gekomen. Er verschenen twee mannen aan de deur die Dan Eden wilden spreken.
Toen ik me bekendmaakte vroegen ze of ik alsjeblieft even het kantoor wilde
verlaten, waar ze hun kaartjes van het National Security Agency even lieten
zien. Vervolgens werd ik uitgenodigd voor een kop koffie op de luchtmachtbasis
Westover bij Chicopee. Ik denk dat ik wel wist waar het om ging, maar de
mannen droegen een mooi pak en zagen er heel jong en ongevaarlijk uit. Ze
zeiden dat ze me alleen een paar dingen wilden laten zien en me wat vragen
wilden stellen en dat ik hooguit binnen een paar uur weer veilig op kantoor
zou worden afgeleverd. Toen ze me naar de basis reden, praatten ze over
koetjes en kalfjes en vermeden ze de ‘zaken’.
Westover was in de Koude Oorlog een oude basis van B-52ers geweest.
Sinds het uiteenvallen van de Russische dreiging was alles nogal vervallen en
een groot deel was door burgers in gebruik genomen en fungeerde als goedkope
woningen voor de omliggende gemeenschap. Tijdens de Golfoorlog was hij weer
deels geactiveerd als tussenstop en tankplaats voor vrachttoestellen en
reservisten.
We reden de basis op en gingen naar een van de paar resterende
wachtposten waar we na een gebaar door mochten rijden. De mannen leidden me
naar iets wat op een oude officierswoning leek die vol stond met oude metalen
bureaus en dossierkasten. We gingen een afgesloten deur door waar twee tot in
de puntjes verzorgde soldaten met geweren voor stonden en binnen zaten twee
oudere mannen op ons te wachten en naar het nieuws op de televisie te kijken.
Toen ik binnenkwam, zetten ze de televisie uit en vroegen of ik aan een grote
houten tafel wilde plaatsnemen. Een van de oudere mannen die in burger was
vroeg me of ik het artikel had geschreven over de ‘dodelijke straal’ in
Alaska. De manier waarop hij ‘dodelijke straal’ uitsprak wekte de schijn
dat hij het verhaal belachelijk zou gaan maken, maar ik had het mis. Ze
vroegen niet naar het artikel maar waren meer geïnteresseerd in mijn bronnen.
‘De personen die met je hebben gesproken hebben hun afgelegde eed voor de
nationale veiligheid geschonden en ze wisten dat dit illegaal was en gevolgen
zou hebben.’ Een andere man sprak me scherp aan. ‘Door deze informatie te
onthullen hebben ze een crisis veroorzaakt. Begrijp je dat? Wil je soms een
kop koffie?’
Ik had nooit gedacht dat ik mijn journalistieke rechten zou
gebruiken om mijn bronnen te beschermen, maar die kwamen mijn mond uit en dat
scheen te werken. Daardoor raakte de oudere man van zijn stuk en hij sloeg met
zijn vuist op tafel. ‘Kijk, dit is een deal. Zij hebben een ernstige misdaad
gepleegd en jij helpt hen bij die misdaad als je niet samenwerkt. We komen er
toch wel achter, maar dat zal niet prettig zijn voor de betrokkenen. Hou je
dan niet van je land, Dan? Kan het je niet schelen dat dergelijke daden
Amerika kwetsbaar maken?’
‘Goed, maak je niet druk.’ De andere man pakte een koek en
begon die op te eten. ‘Hoe drink jij je koffie, Dan? Alsjeblieft. Denk hier
eens over na. Neem er de tijd voor. Dit zijn lekkere koeken. Neem er ook een
en wat vind je van die koffie?’
‘Kijk, ik ga niets zeggen. Ik zal een advocaat of zo nemen, maar
ik hoef niets te zeggen.’ Dat bracht de oudere man echt van zijn stuk en hij
verliet de kamer. De overige mannen zaten om de tafel te praten alsof ik er
niet was. Ze bespraken de mogelijkheid dat ik zou meewerken als ik nogmaals
contact had met de bronnen en opperden dat ik, nu ik wist dat dit een ernstige
misdaad was, natuurlijk binnen de wet zou willen blijven. Ik wilde ten slotte
niet in moeilijkheden raken alleen omdat iemand anders een misdaad had
gepleegd. Ze vroegen me of dat redelijk klonk en dat beaamde ik.
De oudere man kwam vervolgens weer binnen en deelde dezelfde feiten
op een formele manier mee, vroeg of ik me daarin kon vinden en of ik ermee in
wilde stemmen. Ik zei dat ik er geen moeite mee had en ik werd door de twee
jongere mannen teruggebracht naar het kantoor. Voor ik uitstapte, gaf een van
hen me zijn kaartje en vroeg of ik hem wilde bellen als ik nog iets wilde
bespreken. Toen ik het kantoor weer binnenkwam, probeerden enkele andere
medewerkers grappen te maken over de mannen die ‘me mee uit rijden hadden
genomen’. Het moet een komische indruk hebben gemaakt, maar voor mij was het
dat niet geweest. Ik las het artikel in Viewzone
nog diverse keren door om te zien of ik iets had genoemd wat de identiteit van
Dave en Jonas zou kunnen onthullen. Ik had hun telefoonnummers, maar ik durfde
hen niet te bellen. Ik wachtte twee weken voor ik hen te pakken probeerde te
krijgen via de zakentelefoon van een vriend. Ik kreeg Dave inderdaad te pakken
en waarschuwde hem. Maar wat hij mij op zijn beurt vertelde was veel
vreselijker. Nicki was dood.
Deze
muren hebben oren
De dagen na mijn gesprek met Dave waren de twee moeilijkste weken
van mijn leven. Ons gesprek was kort maat ik wilde, moest, meer weten over
Nicki. Ik wilde geloven dat het niet waar was of dat Dave zich had vergist,
maar ik durfde hem niet terug te bellen.
Er verstreken twee weken en hij belde me op het kantoor van Viewzone.
Hij zei dat het hem niet kon schelen of ze meeluisterden en dat Marie en hij
al in de staat Washington zaten, dat hij belde vanuit een telefooncel op weg
naar hun nieuwe huis. Marie had een baan in Bellingham gevonden en Dave had
onder een andere naam ook werk gevonden als maatschappelijk werker in een
rusthuis. Jonas werkte nog steeds in Alaska, maar nu in Anchorage.
Nicki’s dood was onwezenlijk, zelfs voor haar vrienden. Ze was
mijlen buiten Fairbanks op een afgelegen weggetje in haar Chrysler gevonden.
Volgens het officiële politierapport was het zelfmoord door middel van
koolmonoxide waarbij alcoholisme meespeelde. Maar er stond ook in dat ze
bedekt was met wodka en dat er verscheidene lege wodkaflessen op de voorbank
waren aangetroffen.
Dave en ik waren het erover eens dat het geen zelfmoord was. Ze was
niet depressief. Ze had zelfs verwacht, hoe pijnlijk het ook was om dat te
horen, dat ze me zou terugzien en had het erover gehad om als verrassing naar
me toe te vliegen. De wodka was ook een probleem. Ze dronk nooit wodka. Jack
Daniels was haar absolute enige drankje.
Ze hadden haar in een weekend gevonden toen ze niet op haar werk in
het Mecca was verschenen. Dat was slechts enkele dagen na de verschijning van
mijn bezoekers gebeurd. Dave en Marie hadden het verband ogenblikkelijk gelegd
en waren uit Fairbanks vertrokken. Jonas had gehoord dat iemand hem zocht en
was ook vertrokken. Was er een verband? We wisten het niet zeker. Het was
iedereen al bijna te veel om het te verwerken, laat staan om het te begrijpen.
Ik sprak ongeveer een halfuur met Dave. Ik was somber en bang.
Vervolgens was ik kwaad en wilde ik wraak. Ik was begonnen het tweede deel van
het verhaal te schrijven, waarin ik de geboorteafwijkingen en de twee
uitgevoerde ‘experimenten’ onthulde. Dat zou hen mores leren …
Twee dagen na mijn gesprek met Dave kwam er opnieuw iemand langs,
deze keer de man die me zijn kaartje had gegeven. Hij vroeg of ik bij hem in
zijn auto kwam zitten en zei dat hij me iets belangrijks te melden had. Ik
voelde alleen maar minachting voor hem, maar ik ging toch met hem mee.
Hij vermelde dat hij wist dat ik met een van de bronnen van mijn
verhaal had gesproken en hij vroeg waarom ik hem dat niet gemeld had zoals we
hadden afgesproken. Er knapte iets in mijn hoofd. Ik gooide er een stel
rotopmerkingen uit met tot slot een dreigement, iets in de trant van: ‘Ja.
Wacht maar eens wat ik nog meer ga schrijven!’ Dat was een vergissing. Ze
hadden het telefoontje duidelijk afgeluisterd. Hij probeerde opnieuw Dave’s
achternaam te krijgen, maar toen besefte ik dat ik die echt niet kende. ‘Is
het mogelijk dat hij niet eens Dave heet?’ Die gedachte was nog nooit in me
opgekomen.
‘Weet je waar die man nu is? Kun je me een beschrijving geven van
zijn uiterlijk? Heeft hij voor dit laatste gesprek ooit eerder gezegd dat hij
naar Bellingham ging verhuizen? Was dat soms ook een afleidingsmanoeuvre?’
Hij had gelijk. Ik wist van niemand veel.
Ik vond het vreemd dat hij niet naar Nicki vroeg, hoewel Dave en ik
het grootste deel van het gesprek over haar hadden gepraat. Misschien wisten
ze al wie Nicki was en misschien was ze daarom juist dood. Misschien had ze
niet met hen willen meewerken.
De man herinnerde me nogmaals aan mijn ‘afspraak’. Hij gaf me
ook een telefoonnummer op de achterkant van een ander kaartje van de NSA, de
Nationale Veiligheidsdienst. Het was een nummer in Virginia en ik kreeg
opdracht het te gebruiken als ik nog eens contact kreeg met Dave of Jonas.
Vervolgens begon hij over mijn dreigement om een tweede deel van het verhaal
te schrijven en zei: ‘Ik weet niet wat je nog meer weet over wat er in
Fairbanks of waar dan ook is, maar je mag niets meer schrijven. Begrijp je
dat? Dit is serieus en de gevolgen zullen even serieus zijn. Begrijpen we
elkaar, Dan?’
‘Lazer op. Lazer toch allemaal op!’ Ik dacht aan Nicki en begon
te huilen. Het was gênant, maar ik kon niet ophouden.
‘Hier.’ Hij gaf me een opgevouwen, schone, witte zakdoen. Mijn
god, had iemand zoiets nog bij zich?
‘Nee, dat hoeft niet.’ Ik duwde zijn hand weg.
‘Kijk.’ Hij zuchtte, ‘ik weet dat je het moeilijk hebt gehad
en dacht dat je iets goeds deed. We willen je helpen. We willen hier met je
samenwerken. Als je meewerkt kunnen we je misschien helpen.’
‘Me helpen? Hoe wou je me verdomme helpen! Zoals je Nicki hebt
geholpen?’ Dat was een voltreffer. Nu begrepen we elkaar.
‘Ik denk niet dat je hier iets van zult begrijpen, maar laat
voorlopig niets in druk verschijnen. Laat er wat tijd overheen gaan en zet je
gedachten op een rijtje. Ik wil dat je dit nummer op het kaartje belt. De
telefoon zal overgaan, maar er zal niet worden opgenomen. Als je ophangt zul
je worden teruggebeld op de telefoon waarmee je hebt gebeld en zal iemand
overal van op de hoogte zijn en jou helpen met de volgende stap in deze
kwestie. Goed?’
Ik stemde ermee in. Ik was te veel van streek om te redetwisten. Ik
wilde alleen maar die auto uit en alleen zijn. De man zag er ontdaan uit. Heel
even zag ik hem als een mens, als iemand zoals ik die gewoon zijn werk deed.
Ik was beleefd en ging naar mijn kantoor. Maar even later verfoeide ik mijn
eigen beleefdheid tegenover hem en werd ik gekweld door de herinnering aan
Nicki, wat zulke gemengde en ellendige emoties opriep dat ik buiten mezelf
was.
Woede is een goede emotie. Vroeger dacht ik dat het een slechte
emotie was, dat iemand er van binnenuit door werd verteerd. Maar ik denk nu
anders over woede. Die kan je redding zijn als je werkelijk depressief bent.
Die kan ervoor zorgen dat je blijft doorgaan als alles verloren lijkt. En
daardoor belde ik de volgende dag dat telefoonnummer.
Aan
het hof van de rode koning
De woede was zo sterk dat ik nauwelijks kon slapen. Eten was
onmogelijk en ik kocht diverse keren uit gewoonte een kop koffie om die
slechts koud te laten worden en melkschuim te laten krijgen. ’s Morgens had
ik het gevoel dat ik amfetamine had gehad – vermoeid maar high.
Ik belde het kantoor van Viewzone
om te zeggen dat ik thuis zou werken. Ik probeerde te gaan liggen om te rusten
en dat lukte even. Toen zag ik het, het rode speldje dat ik naar Fairbanks had
gedragen en dat op de hoek van mijn computerscherm was geplakt. Ik zag
ogenblikkelijk beelden voor me van Nicki, de baby zonder neus, de oude
Inuit-vrouw … Op de een of andere manier was ik hen verplicht om dapper te
zijn en het verhaal te schrijven. Mijn hart bonsde en mijn aderen vulden zich
met kokende woede.
Ik draaide het nummer bijna in een reflex. Voor ik er zelfs maar
over na kon denken, ging de telefoon over … een keer … twee keer. Ik hing
op. Wat nu? Niets. Misschien probeerden ze me alleen maar bang te maken of
misschien hadden ze alles nog niet geregeld. Misschien – de telefoon ging.
‘Dan Eden?’
De stem aan de andere kant was van een vrouw. Ze klonk wat ouder,
maar het zou gewoon een jonge, serieuze academicus kunnen zijn die sprak met
het zelfvertrouwen dat zij de zaak onder controle had. Ik gaf niet meteen
antwoord.
‘Hallo, meneer Eden. Mag ik Dan zeggen?’
‘Zeker. Dan is prima. Moet je horen, ik wilde helemaal niet
bellen. Ik bedoel dat ik eigenlijk niets …’
‘Nou, ik ben blij dat je het hebt gedaan. Ik wilde jou bellen. Ik
heet Kathy. Heeft het je moeite gekost om dit nummer te bellen?’ Ze ging
maar door om mijn vertrouwen te winnen en legde uit dat ik haar op deze manier
kon bereiken, dag en nacht, overal vandaan, op elk tijdstip. Ze vroeg niet
naar de bronnen, naar Dave of Jonas, maar ze leek gericht te zijn op mijn
eigen leven, op mijn financiën en carrière, een bood aan me te helpen als ik
bleef meewerken en me aan mijn ‘afspraak’ hield.
Er werd veel belang gehecht aan deze afspraak, meer dan ik besefte.
Zonder het te weten had ik ingestemd met een tegenprestatie waarbij ik ervan
zou afzien iets nieuws te publiceren en in ruil daarvoor hulp van de dienst
zou krijgen. Maar hulp waarmee? Had ik ‘hulp’ nodig?
Inderdaad. Ik had borg gestaan bij de oprichting van Viewzone.
Het tijdschrift had ruim 140.000 dollar van mijn geld en krediet verslonden en
ik was het jaar daarvoor failliet verklaard. Ik leefde van de hand in de tand,
van de ene baan naar de andere, terwijl ik schreef en programmeerde. Ik bleef
in leven en kon me koffie of een goed ontbijt in een chauffeurscafé
permitteren, maar vrouwen en wijn ontbraken in mijn leven. Dat wist ik. Dat
wist Kathy. Dat wisten de mensen bij de veiligheidsdienst. En ze zouden weldra
hun verkooppraatjes afsteken. Kathy was een beroepskracht, dat stond vast. Ze
belde me twee à drie keer per week om te horen hoe het ging. Maar hoe graag
ze ook mijn therapeut wilde zijn, toch kon ze me niet helpen met mijn pijn om
Nicki. Dat was mijn eigen hel.
Ik hield een met de hand geschreven dagboek bij van mijn reis naar
Fairbanks, omdat ik bang was dat de computer op de een of andere manier werd
afgetapt, maar ik gebruikte codenamen voor de mensen en plaatsen, waardoor het
verhaal dat ik schreef eerder op een sprookje dan op een griezelverhaal leek.
Ik volgde het patroon van de Tovenaar van Oz. Dave was de Tovenaar en Nicki
was Dorothy. Haar broer, Jonas, was de blikken man. In plaats van één
vogelverschrikker waren er een heleboel en hun strooien lichamen waren opnieuw
geordend en verbrand. Dat aandoenlijke dagboek leek nog het meest op een
therapeutische catharsis.
Tijdens een van onze ‘behandelingen’ vroeg Kathy me over een
ideaal maar reëel leven te dromen dat me gelukkig zou maken. Ik gaf haar een
salaris, omschreef een programmeerbaan waar ik van zou houden en opperde dat
ik weer in de omgeving van Amherst zou wonen, waar ik had gestudeerd. Het was
een bescheiden wens die echter ver buiten mijn bereik lag. Binnen een week
belde ze terug om deze droom wat verder uit te werken en me die vervolgens aan
te bieden.
‘Een tegenprestatie.’ Dat was de term die ze gebruikte. ‘Een
goede baan, een prima salaris en een kans om gelukkig te zijn … wat zeg je
ervan, Dan?’
Wat zou jij ervan zeggen?
In
de buik van het beest
In april 1999 begon ik aan mijn baan als webmaster voor een
niet-commercieel bedrijf dat de leiding had over het elektriciteitsnetwerk van
New England, delen van Canada en de staat New York. Het was ironisch om voor
een elektriciteismaatschappij te werken, aangezien Eastlunds uitvinding een
revolutie in die bedrijfstak zou hebben ontketend. Het salaris was goed, de
baan bevatte enkele interessante projecten die ik gemakkelijk aankon en ik
leefde in het kleine landelijke plaatsje Northampton, waar Het Smith College
(alleen voor vrouwen) stond. Het leven leek goed.
Ik bleef van tijd tot tijd contact houden met mijn ‘trainer’
Kathy. Door de luxe om ruim in mijn geld te zitten kon ik betere computers
aanschaffen en als redacteur die af en toe een bijdrage levert kon ik voet aan
de grond houden bij Viewzone. Er
heerste grote drukte bij het bedrijf toen we het jaar 2000 naderden. Veel
programma’s die elektriciteitsbedrijven gebruikten om grip te hebben op
omschakelingen, hoogspanningskabels en rekeningen waren ontworpen in de jaren
’70. Het is een kenmerkend verschijnsel bij het programmeren om het aantal
codes bij elke taak tot een minimum te beperken en daarom werkten veel
programma’s die met de datum en de tijd te maken hadden alleen met de
laatste twee cijfers om het jaar aan te geven. Dit gaf problemen toen 99
overging in 00 en daardoor kwam de Federale Overheid tot de conclusie dat de
Amerikaanse elektriciteitsnetten gevoelig konden zijn voor een terroristische
aanval.
Aangezien ik de leiding had over het internet dat de gegevens
leverde en alle elektrische generatoren uit de streek met elkaar verbond, werd
het noodzakelijk geacht dat ik, samen met veel andere medewerkers, door de NSA
werd doorgelicht. Ik hoorde met name tot mijn verbazing dat ik een eed voor de
Nationale Veiligheid zou moeten afleggen!
In november 1999 kreeg ik opdracht naar Fort Meade in Maryland te
gaan, waar ik zou verblijven bij een gezin dat verbonden was aan de
veiligheidsdienst. Het was evenzeer een praktische oplossing als een
veiligheidsmaatregel, aangezien mijn bezigheden er overdag uit zouden bestaan
meer te leren over de eed die ik zou afleggen, de noodzaak ervan en de
implicaties en gevolgen als ik me er niet aan hield.
De hele cursus duurde tien dagen en de eed zelf werd geformaliseerd
door een geschreven, ondertekend en ook door getuigen ondertekend document.
Tijdens de voorbereidingen voor deze verplichting werd ik onderworpen aan
diverse tests met leugendetectoren, een batterij psychologische onderzoeken en
kreeg ik ook enkele nogal walgelijke en aanschouwelijke taferelen te zien
waarin de schending van de eed snel werd opgelost. De boodschap was volkomen
duidelijk. Zodra je je hand opstak en het document tekende, konden ze je doden
– wettig – als dat in het landsbelang was.
Voor mij bestond het interessantste onderdeel uit de ‘wat te doen’
lessen die je voorbereidden op een verhoor door ‘de vijand’. Daarbij ging
het om diverse intellectuele spelletjes waarbij je, als je bijvoorbeeld
gedrogeerd was, feitelijke informatie kon geven in een vorm waar ze niets aan
hadden. Mijn eigen versie van De
tovenaar van Oz was een goed voorbeeld van deze methode en een die ik
mezelf had geleerd. Maar aangezien ze vertrouwd waren met deze vorm van
misleiding was mijn dagboek niet langer een veilige uitlaatklep voor mijn
therapeutisch geschrijf. Ik moest deze mensen wel respecteren – ze waren
heel intelligent en hadden nagenoeg alle mogelijkheden bekeken.
’s Avonds, na de lessen, ging ik terug naar het huis van mijn
gastheer om naar het nieuws te kijken, oppervlakkig te praten en vroeg naar
bed te gaan. Ik voelde dat ze me in de gaten hielden, me beoordeelden en dat
ze ergens in mijn dossier een samenvatting zouden schrijven van mijn gedrag en
gesprekken.
De laatste dag brak aan en ik tekende het document. Dat gebeurde in
een vertrek vol vlaggen en portretten van de toenmalige president Clinton. Ik
kreeg een hand en ging terug naar huis om mijn goede leven te hervatten. Maar
toen begonnen er weer vreemde dingen te gebeuren.
In november 1999 leidde ik mijn ‘droomleven’. Het bevatte alle
ingrediënten waarop ik had gehoopt, maar het was saai. Mijn baan bij het ‘elektriciteitsbedrijf’
was zo eenvoudig dat het me moeite kostte om in mijn geïsoleerd hokje wakker
te blijven. Periodieke urinecontroles zorgden ervoor dat ik geen marihuana
rookte en het schrijven van artikelen voor Viewzone
was zo’n beetje mijn enige creatieve uitlaatklep. Mijn trainer belde me om
me ermee te feliciteren dat ik de eed had afgelegd, maar verder hadden we
minder en onregelmatiger contact. Ze wist dat ik me verveelde, maar ik werkte
mee en daar was het iedereen kennelijk om te doen.
Omstreeks deze tijd ontving ik diverse e-mails van een lezer in
Servië, waar de troepen van de VN tegen Milosevic hadden gevochten,
grotendeels met de strijdkrachten en het materiaal van het Amerikaanse leger.
Hij bleef het maar over een vreemd verschijnsel hebben dat was opgetreden
tijdens aanvallen door de A-10, een Amerikaans gevechtsvliegtuig dat het ‘wrattenzwijn’
werd genoemd. Hij was kennelijk niet de enige die deze dingen had waargenomen.
Andere rapporten stelden ook vragen over dit vreemde nieuwe verschijnsel. Er
werd gemeld dat er vlak voor een luchtaanval vaak allerlei enorme zwarte
wolken aan de hemel verschenen die uit de blauwe lucht ontstonden en die daar
bleven tot het einde van de campagne die meestal een paar weken duurde. Er
viel geen regen uit die wolken. Wat wel op Belgrado neerviel waren hagelstenen
ter grootte van eieren. ‘Je kunt de sporen nog zien die ze op de huizen
hebben achtergelaten.’ In die tijd beschreven getuigen een vreemd ‘weerlichten’
aan de hemel dat uren aanhield en met niets te vergelijken was wat ze ooit
eerder hadden gezien. De ‘donder’ waarmee dit vreemde ‘weerlichten’
gepaard ging was even vreemd. Het was honderden keren sterker dan enig onweer
dat wie dan ook zich kon herinneren. Het klonk zo hard dat het zelfs harder
was dan het geluid van de bomexplosies. Bovendien brachten wetenschappers in
Servië een rapport uit waarin ze verklaarden dat er een gat zat in het
elektromagnetische veld boven Servië. Het ‘gat’ was bijna even groot als
Servië zelf. Het begon in het zuiden bij de grens tussen Kosovo en Albanië,
en eindigde in het noorden bij de Joegoslavisch-Hongaarse grens.
Ik bleef gedurende het grootste deel van november van zulke
meldingen binnenkrijgen. De Serviërs waren kennelijk gefrustreerd dat niemand
dit verschijnsel leek te begrijpen, waardoor het werd verwezen naar het rijk
van het ‘onverklaarbare’. Dat was meer dan mijn journalistieke geest kon
negeren en daarom schreef ik een zeer kort verslag, zonder enig commentaar, en
zette het in Viewzone. Voor het
geval iemand het onderwerp nader wilde onderzoeken, zette ik er ook een link
in naar het oude artikel over de ‘dodelijke straal’. Au! Binnen twee dagen
moest ik op mijn werk opnieuw een urinecontrole ondergaan en veranderd mijn
functie van ‘webmaster’ in ‘communicatiespecialist’. Zoals ik al had
verwacht belde Kathy me. Ik had geen ander excuus dan verveling. Ze
waarschuwde me ‘het lot niet te tarten’ en vroeg of ik haar voortaan elke
week wilde bellen.
Op mijn werk ontstonden problemen. Ik werd verwijderd uit het
gevoelige controlegebouw met zijn grote ‘oorlogskaart’ die het hele
elektriciteitsnet liet zien en de toestand van elke generator, en ik moest in
een hokje bij de vertegenwoordigers van de klantenservice gaan zitten. Ik was
net een vis op het droge. Ik voelde dat ze me weg wilden hebben, maar ik was
vastbesloten om te blijven.
Begin december werd ik op een avond gebeld. Het was een professor
in de geschiedenis van het Midden-Oosten van de Brigham Young University. Hij
vroeg naar een artikel dat hij een tijd geleden bij Viewzone had gelezen. Het was een klein stukje dat ik had geschreven
over enkele vreemde petrogliefen, oude rotstekeningen, die in Colorado waren
aangetroffen, vlak buiten het afgelegen veestadje